Tag: zo’n dag

Puntjes op de i

Na een verhuizing naar een nieuwbouwhuis of -appartement blijven er altijd wat van die pietepeuterige ieniemieniedingetjes over die nog even gedaan moeten worden.

Zo hangt er in onze badkamer een grote spiegel. Het element dat de spiegel verwarmt en zorgt dat het niet beslagen raakt maakt een vierkant van ongeveer zestig centimeter ‘vrij’. De spiegel hangt hoog. Om in het vierkant te geraken moeten we dan ook springen. De aanblik die we dan krijgen is van korte duur. Als ik meld dat ik het toch wat eigenaardig vind dat de spiegel op die hoogte is bevestigd haalt de badkamermijnheer de spiegel van de muur. Op de tegels staat met zwarte stift geschreven: 2 meter 10. De monteur is verbaasd. Die hoogte komt niet overeen met de maten in de offerte. Waarom is dat gedaan en hoe dan?

Natuurlijk is er een oplossing. Twee tegels eruit, nieuwe er in en spiegel lager hangen. Het wordt allemaal geregeld.

Binnenkomen

Ondertussen is er een ander probleem omdat niemand meer het gebouw op de bedoelde wijze binnen kan komen. De deur gaat niet open. De bel beneden doet het ook niet. Dat resulteert meerdere malen in een roepen van mij door de videofoon terwijl er boven op de deur geklopt wordt. Een idiote indruk maak ik zo als ik al schreeuwend de deur open. Omdat ik ook pakketjes verwacht hang ik beneden een briefje op, dat ze moeten bellen en vooral niet aanbellen en vertrekken met ‘de bezorger trof niemand thuis’.

Beetje stoffig

Natuurlijk weet ik ook wel dat je tegels niet als stickers van een muur verwijderd. De man haalt alle spullen uit de badkamer, legt handdoeken voor de deur en mompelt ‘stof’. Het kwartje valt. Ik hoor het slijpen van de slijptol. Als de man later de gang instapt zie ik een mist van stofdeeltjes door de badkamer dansen. Ik word gebeld en neem de lift naar beneden. Pakketje 1 is gearriveerd. Pakketje 2 is belangrijker. Levertijd: voor einde van de dag. Dat is lekker duidelijk. Ami moet toch plassen. Ik trek haar met gepaste haast door de storm en na de poep en plas snel ik naar het huis.

De badkamerman lacht me toe. De twee tegels die ik had klaargelegd zijn weliswaar wit maar niet het wit dat het zou moeten zijn. Ze zijn ook mat. ‘Dat hoort niet’, zegt de man, ‘je hebt glimmende’.
‘Dit zijn de dozen tegels die zijn achtergebleven in het huis’, stamel ik. Hij vertelt dat in iedere woning minstens 1 doos moet achterblijven met tegels voor eventuele vervangingen. Waarschijnlijk hebben de tegelzetters op goed geluk overal een doos neergelegd. We pikken de juiste tegels bij de buren.

Vloeren leggen

Omdat de vloerenlegger te weinig vloer had besteld moeten er in het rommelhok nog wat planken worden gelegd. Het is een rommelhok. Daarvoor wordt het ook gebruikt. Twee uur ben ik bezig om alle rommel uit het hok te halen voor twee lullige plankjes.
De badkamermijnheer gaat weg. ‘Morgen komen we de spiegel weer ophangen’, zwaait hij. ‘Houdoe’. Hij komt uit Houdoeland. Als ik de deur van de badkamer open zie ik door een waas onze schoongemaakte badkamer. De witte mist zit overal. Met frisse tegenzin vul ik mijn emmertje. Er wordt gebeld. Pakketje twee.

Moedeloos staar ik naar de twee pakketten waar een gewoon mens op een gewone dag heel blij van zou worden. Maar er moeten dingen in elkaar worden gezet. Dat lukt me alleen als ik uitgerust, goed gemutst en voorbereid op tegenslag aan de gang kan gaan.

Het is beter even te wachten.

een dinsdag op zijn maandags

Gisteren een Koninginnedag in de zon. Zoals het hoort in bijna mei. Vandaag is alles anders.
Ik sta helemaal klaar om op de fiets, eindelijk op de fiets te gaan naar mijn werk. Dan hoor ik het rommelen. Niet een beetje maar een beetje heftig. Alles weer uitpakken en toch maar met de randstadrail. Grote paraplu mee, zo’n stormding van zens. Ik gebruik hem te weinig zodat ik nog geen manier heb gevonden om de paraplu zo weer in te klappen dat ik niet zeiknat wordt. Dat lukt nu dus ook niet. Bij het sluiten van het wonderding word ik net zo nat als dat ik zonder paraplu gewandeld had. Beladen met tassen, druppend haar en natte paraplu stap ik in. Waar is mijn in- en uitcheckkaart? Eindelijk gevonden. Lezen. Goed boek.
Ineens besef ik dat ik er al ben. Waar is de tijd gebleven? Ik pak in een noodgreep alles bij elkaar, weet nog net uit te checken en sta verdwaasd op het Spui. Hier werk ik, dus dat is goed.

Ik zak bijna door mijn knie vanwege een enorme pijnscheut en strompel het stadhuis in. Buiten is het donker, raar donker. Dit wordt zo’n rare dag. Dat voel ik aan alles. Ik ben er niet helemaal bij en dat is toch wel een vereiste voor een gewone werkdag. Maar een dinsdag op zijn maandags, dat kan niet goed gaan.

Een ding is goed. Mijn zus is jarig!