Thuis voelen

Precies 1 week wonen we nu in ons appartement. Hoe lang duurt het om je ergens thuis te voelen? Bij ons niet langer dan een dag.

Niet alleen alle dozen zijn al uitgepakt, ze zijn al weer opgehaald ook. In het kader van ‘ik kan geen doos meer zien’ een blijde gebeurtenis. Mensen om ons heen zijn verbaasd: zo snel. We zeggen er bij dat ze sommige kasten niet open moeten trekken.

Alle mankementjes die bij een nieuwbouwwoning blijken te horen worden een voor een opgelost. Als je zelf aardig blijft, blijven ‘zij’ ook aardig. En het is eigenlijk heel makkelijk te doen, aardig blijven, want we zijn blij met het huis.

De weg kwijt

Hoewel we kleiner wonen ben ik per dag gemiddeld een keer of vijf de weg kwijt. Loop de verkeerde kamer binnen, zoek in de badkamer naar het toilet die er nu niet is, roep naar boven om Vriendin wakker te maken terwijl ze praktisch naast me ligt. Dat soort dingen.

Op radio 538 is er momenteel een item over wat de grootste ergernis is. Gewoon stomme dingen die altijd fout gaan. Ik hoor bijvoorbeeld iemand iets zeggen over water laten lopen op de holle kant van de lepel. Je weet dat het fout gaat, en het gaat ook fout. Zelf zou ik deze willen toevoegen: je hebt heel veel lades en je zoekt ‘iets’. Waarom vind je het dan altijd in de laatste lade die je opentrekt? Onze keuken heeft vele lades en ik red mijn tienduizend stappen makkelijk door gewoon iets te zoeken.

Als we ‘s avonds op de bank naast elkaar zitten, plotseling zitten we in dit huis naast elkaar…., we zetten de televisie aan: het werkt. Internet: het werkt. Muziek: het werkt. Hue en Sonos geïnstalleerd. Nu nog de juiste commando’s geven bij de juiste app en het klusje is geklaard.

Het oude huis doemt zelfs niet op in onze gedachten. Ami ligt meerdere keren per dag op haar rug te chillen in volkomen overgave aan de nieuwe situatie. Ik kan weer onbekommerd bloggen en op zoek gaan naar nieuwe onderwerpen dan huis, verhuizen, doos. Ik wed zomaar dat jullie daar misschien ook wel blij mee zijn.

‘Onze’ verhuismannen

We hadden het advies van vrienden opgevolgd bij onze keuze voor een verhuisbedrijf. Het bleek een goed advies.

Drie aardige mannen lopen door het huis en pakken behoedzaam dozen en ander spul op. Ze drinken koffie en eten stroopwafels, want dat doen mannen, dat hadden we alvast goed ingeschat. We lopen tegen ons onvermogen op om alles aan hen over te laten. Het liefst helpen we mee sjouwen maar een van de mannen wijst ons er op. ‘Dat doen wij, gaan jullie maar zitten’.

Leuke praatjes

Zo tussen neus, lippen en dozen in horen we hun verhalen aan. De een heeft suiker maar lust nog wel een koekje. Ze noemen elkaar plagerig ‘lieverd’ maar zijn vooral lief voor elkaar. En we boffen want we ze komen nog een keer terug als we echt gaan verhuizen. Daar verheugen wij ons op.

Daar zijn ze weer

Of ze ons herkennen weten we niet maar al snel voelt het vertrouwd als de mannen de spullen weer aan komen leveren. Weer steken we onze handen uit om dozen aan te pakken maar de man schudt zijn hoofd. ‘Dat doen wij’. Als een heel zwaar dressoir op zijn plaats staat, de mannen de volgende lading gaan halen, besluiten wij dat het toch beter verplaatst kan worden. Aarzelend leggen we het voor. ‘Geen probleem’. Een van de mannen zegt: ‘Mag ik zo brutaal zijn om iets voor te stellen’. Wij knikken. ‘Waarom zetten jullie de televisie niet daar, de bank zus, de kast zo, ik zeg het maar hoor, lijkt mij mooier’. Wij aarzelen.
‘Weet je wat zegt de man, wij zetten het neer zoals het ons goed lijkt, jullie kijken en dan zetten we het ook weer anders, dan kunnen jullie kiezen’.
Een van de andere verhuizers zie ik met iets van een vraagteken in zijn ogen zijn collega aankijken. ‘Er zijn grenzen bro’, lijkt het vraagteken te zeggen maar de man van het aanbod heeft zo’n stralende blik in zijn ogen dat zelfs hij deze niet kan weerstaan. Ze gaan schuiven, sjouwen, knikken en kijken ons vragend aan. De derde verhuizer, een jonge knul, mengt zich in het gesprek. ‘Eerlijk?’ Hij kijkt mij vragend aan. ‘Ik vind het ook mooier zo’. Dat geeft de doorslag. Vriendin en ik lachen als twee kleine schoolmeisjes naar de grote mannen. ‘Doe maar zo’, zeggen we.

Bijna huggen we elkaar bij het afscheid nemen. Wat is het heerlijk om dingen niet te weten, mannen knopen door laten hakken en het je laten welgevallen. Af en toe natuurlijk. Zo nu en dan.

De ene werklui is de ander niet

Er zijn heel wat mannen over de vloer geweest de afgelopen weken. Leuke mannen, gezellige mannen. Ik ging bijna denken dat dit soort mannen altijd vrolijke opgeruimde jongens waren. Maar toen was de keuken nog niet gemonteerd.

Twee zwijgzame types komen binnen. Sinds kort weet ik dat je niet alleen binnensmonds kan praten maar er ook zo uit kan zien. De ene, een studentikoos typ met lang haar, gaat gelijk aan de slag. De ander, de binnensmondse, zegt iets maar wat? Ik vraag of ze koffie willen. ‘Nee, dank u’. Ik vraag of ze enig idee hebben hoe lang het gaat duren. ‘Nee, moeilijk’.

Ze zwijgen in alle toonaarden, ook tegen elkaar. Mijn ongemak groeit met de minuut en even later loop ik net zo zwijgend door de hol klinkende woonkamer. ‘Dan ga ik maar’, zeg ik stilletjes. ‘Ja’, zeggen de mannen. Ze beloven te bellen als ze bijna klaar zijn.

Ze bellen niet

Uiteindelijk bel ik zelf. Ja, ze zijn bijna klaar. Ja, ik kan komen.
Ik pik Vriendin op en verwacht dat zij met haar betere sociale vermogens de mannen wel los kan krijgen. Niets is minder waar. In het huis is het net zo stil als die ochtend. De mannen kijken niet op of om. Ook niet als we ze complimenteren met de keuken die er prachtig uitziet.

Een van de mannen pakt een papier een trekt lades en kastjes open om te laten zien hoe en dat het werkt. Hij trekt de deur van de vriezer open. ‘Er ontbreekt een stopcontact’, mompelt hij, ‘dus die doet het niet’. Hij opent de koelkast. Ik trek hem aan zijn mouw. ‘Wat bedoel je met ‘die doet het niet’
Hij pakt zijn schroevendraaier en demonteert een kastje en laat mij een leiding? zien. ‘Kijk, die is leeg’. Ik geloof hem wel, dat is het probleem niet maar waarom ontbreekt er een stopcontact? Hij haalt zijn schouders op. ‘Dat zijn ze vergeten’. Wie zijn ‘ze’? Hoort ‘ze’ bij hen of is ‘ze’ de aannemer. Hij kijkt mij glazig aan. ‘Ik schrijf het op de bon’, zegt hij.

Troep

De kamer is bezaaid met dozen, houten planken, piepschuim en plastic. ‘Jullie nemen dat toch wel mee’. Het was bedoeld als een retorische vraag maar wie vraagt kan een antwoord verwachten. ‘Nee, dat doen we niet’. De jongere man zegt dat hij wel even gaat bellen en vragen of ze het toch niet mee kunnen nemen. Als hij terugkomt, zwijgt hij. ‘En’, vraag ik. ‘Nee’, zegt hij, we nemen het niet mee.

Ze geven een hand en sjokken zwijgend naar de gang. De deur gaat dicht. Vriendin en ik springen op het aanrecht en dansen ons vreugdedansje want de keuken is mooi. En we moeten dat rare vage gevoel kwijt. Dat gevoel dat stilte soms heel fijn kan zijn maar soms ook een oorverdovende impact kan hebben. Nee, dan de verhuizers. Morgen meer daarover.

Met z’n allen verhuizen

We kunnen, we mogen, we gaan. Zo gaat het ongeveer als na bijna twee jaar de appartementen worden opgeleverd. Heeft de aannemer nog bedacht om de blokken na elkaar op te leveren, uiteindelijk is er geen houden meer aan. We gaan. Met z’n allen.

Het meest onder de indruk ben ik van de man die namens de aannemer de klachten aan moet horen en op moet lossen en wel NU. Want we zijn nogal veeleisend, met z’n allen. Maar ook groot respect voor al die mannen, ja sorry, het zijn alleen mannen, die sjouwen, slepen, duwen, trekken aan keukens, trolleys, verhuisdozen, vloeren. Als ik in de middag in de berging ben hoor ik iemand breken. De man die ik net tegenkwam. Het zweet gutste van zijn voorhoofd, zijn adem ging zwaar en hij trok aan een doos die de lift in moest. Waarschijnlijk, hoogst waarschijnlijk lukt dat niet. ‘Godverder…., wat een pleurisgodvergetenklotebende is het hier’. Ik citeer niet letterlijk, het was veel erger.

Druk druk druk

Vrachtwagens rijden op en aan. Nieuwe keukens van verschillende bedrijven, verhuisbedrijven van Kriskras door het land, kleine wagens waarop interessante teksten staan als ‘bouwwonder’ of ‘bouwschade’. Loodgieters, installateurs, timmermannen, netwerkspecialisten, tegelzetters. En allemaal moeten ze met dezelfde lift. Beneden wordt er gebeld dat onze tafel er aan komt. Ik open de deur alvast. Een mijnheer stapt binnen en geeft een hand. ‘Wat kan ik voor u betekenen?’. Ik kijk naar zijn lege handen. ‘U heeft geen tafel bij u?’
‘Nee’, zegt hij, ‘maar ik weet alles van internet’. Hij moet een deur verder en ik geef zijn hand weer terug.

Dozen

Dan komt de tafel. In weer een doos.
Ik heb inmiddels een dozenfobie opgelopen. Dat moet slijten zegt de verhuistherapeut.

Buren

En overal komen we onze buren tegen. We vinden onszelf nog steeds de allerleukste etage van de drie blokken en tot nu toe is daar ook alle reden toe. We lopen bij elkaar naar binnen alsof het de gewoonste zaak van de wereld is en het leuke… het hoort ook zo te gaan. Want ook al hebben we allemaal muren, ramen, deuren, vloeren, het is allemaal anders en zo creërt ieder zijn eigen plek. Ami heeft ook onverwacht kennis gemaakt met een allerliefst buurhondje (vinden wij). Ami denkt er anders over. Er komt even helemaal niets en niemand meer van haar soort haar huis binnen. En misschien is het ook tijd dat zij eindelijk weer haar eigen mandje kan vinden. Wij hebben ons mandje al helemaal gevonden. Een heerlijk mandje.

Foto’s in mijn hoofd

Ik rijd deze weken regelmatig in buurten, straten van ‘vroeger’. Waar ik speelde, naar school ging, sportte, woonde, werkte. Grappig hoe soms herinneringen van toen het verhaal rond maken.

Bijna zijn we Rijswijkers. Zo dicht bij Den Haag voelt het voor mij nog steeds Haags, dat zal moeten slijten. Maar ik rijd op de weg waar ik vroeger ook kwam. Langs het ‘werk’ van mijn vader. Waar hij, toen hij als kleine zelfstandige geen melkboer meer kon zijn, ging werken in een bejaardenhuis als magazijnmeester. Geen grote baan maar met die baan kon hij zijn gezin onderhouden.
Een trotse man die zich onmisbaar voelde en maakte. Die zijn werk zo groot maakte dat hij het kon verdragen dat hij meester was in een kelder.

Boogaard

We doen nu boodschappen in de Boogaard waar ik ook vroeger vaak kwam. Een mooi winkelcentrum toen, nu treft me vooral de vergane glorie van mensen en gebouwen. Het lege, overdekte winkelcentrum klinkt hol en de haastige voetstappen zijn allemaal op weg naar buiten waar nog wel een leven is.

Leyweg

En dan wonen we nu tijdelijk in de buurt van de Leyweg. Tweelingzus en ik fietsten regelmatig daar naar toe om boodschappen te doen voor onze moeder. De HEMA, Favoriet, V&D. Later, toen tweelingszus een brommer had en ik niet, ruziede we vaak over wie mocht rijden. Ik met mijn grote bek die zelf geen brommer durfde te hebben maar wel alles wilde bepalen. Ik had mijn zus nodig om ‘groot’ te zijn.

Taart

Maar beiden hadden wij maar een doel voor ogen. Het gelukkig maken van onze moeder. Door boodschappen te doen, het huis op te ruimen, ‘geluk’ te geven. Bij de HEMA zagen wij een taart. Niet eens duur. Hoe trots waren wij dat we een taart konden kopen voor haar. Nog nooit hadden we zoveel haast om thuis te komen. Met stralende gezichten gaven we haar de taart waarna ze onbedaarlijk begon te lachen.
We hadden geen taart maar een taartbodem gekocht. We dropen af.

Als je mekaar niet meer vertrouwen kan…

Vertrouwen vind ik misschien wel het hoogste goed op aarde. Ik vertrouw tegen de klippen op. In de mens, in de goedheid, in de waarheid. Dit klinkt allemaal hoogdravend maar vertrouwen zit ook in het hele kleine. In ‘een afspraak is afspraak’, een buur, een bedrijf, een vriend.

Wij hadden voor ons huis de behanger van ver gehaald. In het kader van ‘wat van ver komt is lekker, kwamen onze behangers en schilders uit Almelo. Het gaat te ver om hier uit te leggen waarom maar de heren hadden er een rit van 2,5 uur opzitten voordat ze bij ons aan de klus begonnen. Aardige mannen. Vader en zoon. Grappend en grollend. ‘Alles komt goed mevrouw’.

Een dag later zien we het resultaat. Het ziet er goed uit. ‘Het moet nog drogen’ zegt de vader, ‘dat komt helemaal goed’. We geven de mannen een flinke tip die de zoon eerst nog bezwaard wegwuift. Hoe lief, denken wij.

Twee dagen later

Als we twee dagen later het resultaat bekijken valt het tegen. Vlekken, slordig, druppels, niet afgekit, kleur is niet dekkend genoeg. Als ik aan bekenden vertel dat ik de forse rekening al direct betaald heb krijg ik meewarige blikken. ‘Nu kan je het wel vergeten’. ‘Zie nu maar eens je recht te halen’. Ik schrik. Denk, dat heb ik weer, stomme kip. En elke keer zien de muren er nog erger uit dan eerst. Ik mail. Ik bel. Er is haast geboden want de vloer wordt gelegd.

Geen gezeik

De behanger belt. ‘Natuurlijk komen wij het in orde maken. De vloer wordt toch gelegd, dan komen wij nog voor die tijd’. Ze maken weer die rit uit Almelo en stellen ons gerust. Ik wijs met de woorden ‘misschien wel gezeik’ op een klein dingetje. ‘Niets gezeik’, zegt hij. ‘U heeft gelijk’.
Als wij in de middag terug komen ziet het er absoluut beter uit. Een paar kleine dingetjes maar ach… Ik stuur hem een appje. Bedank en vraag advies om een paar kleine dingetjes zelf op te lossen. ‘Niets ervan’, zegt hij. ‘We komen terug om het op te lossen’.

Ik ben misschien nog wel blijer met het het feit dat ik vertrouwen mag hebben dan met de geverfde muren.

Gezond verstand: ‘aan’

In het huis van Broer regeert Google. Tenminste, laat ik Google regeren. Was ik eerst niet enthousiast nu denk ik soms ‘verdomd handig’.
Als het werkt.

Ik stond vanmorgen nog vroeger op dan anders om tijd voor mijn blog te hebben. In het pikkedonker en met een stem die liever niet wil spreken op het vroege uur zeg ik: ‘Hé Google, woonkamerverlichting aan’. Meestal zet mevrouw Google dan drie lampen aan en glimlach ik mijn dankbare lach. Vanmorgen zei ze dat ze mij niet begreep. Dat kan de beste overkomen. Ik geef het commando ‘woonkamerverlichting aan’ in alle toonhoogten maar ze blijft mij niet begrijpen.

Honderd procent

Dan zeg ik ‘Hé Google, verlichting aan’. Dat begrijpt ze verkeerd. Ze zet alle lampen aan. Ook daar waar Vriendin nog heerlijk ligt te slapen. Gelukkig zet mevrouw Google ze ook weer snel uit. Dan vraag ik of ze drie lampen aan wil doen. Dat wordt niet begrepen. Ze dimt de lampen op 3 procent. Dat is niet echt licht. Dus zeg ik nogal gepikeerd: ‘Hé Google, honderd procent’. 

Dan gebeurt het. Ze zet alles op honderd procent. Ook haar volume. Door de hele wijk schalt nu ‘dat is goed, ik zet mijn geluid op honderd procent’. En ze zegt nog meer zinnen terwijl ik nu eigenlijk wil dat ze stil is om de buren niet wakker te maken. ‘Hé Google, alles uit’. Dat doet ze. In het pikkedonker staar ik naar het apparaat. Die maar blijft zeggen dat ze het niet begrijpt. Dat ze nog niet heeft geleerd mijn commando op te volgen. Gelukkig geeft mijn telefoon ook licht en als ik naar de gang schuifel zie ik aan de muur zo’n ouderwetse knop. Je weet wel, waar we vroeger de lampen mee aan en uit konden zetten. Ik druk op de knop en plots brandt er een verhelderend lichtje in de woonkamer.

Eureka.

IKEA – IK En Anderen

Je lijkt er bijna niet omheen te kunnen zodra je een nieuw huis gaat betrekken: een bezoek brengen aan IKEA. Op het moment dat dit voor ons speelt lijkt heel Nederland een nieuw huis te betrekken of er één te creëren.

In de afgelopen tien jaar hebben we misschien vier keer een bezoek gebracht aan dit Zweedse balletjesbakgehaktbedrijf. Dit geeft aan dat we niet echt warm lopen voor het enorme aanbod. Maar eerlijk is eerlijk, ze hebben van die handige hebbedingetjes die het vooral in kasten en keukens goed doen. De afgelopen week hebben we ons record verbroken. We waren er vier keer.

Want hoe gaat dat?

De eerste keer ga je kijken en zeg je tegen elkaar ‘nou, dat komt nog wel’. De tweede keer pak je zo’n potloodje en briefje mee en noteer je wat je wilt kopen. Als je dan uiteindelijk bij de kassa komt ben je moe en zeg je tegen elkaar ‘ik heb nu geen zin meer, we gaan morgen nog wel een keer, als het rustiger is’.

Die ‘morgen’ bestellen we kasten en dingen die zij mooi voor ons in elkaar kunnen zetten. ‘U kunt aan de kassa betalen maar ook bij mij’, zegt het aardige meisje die weet hoe het er op zondag aan toe gaat. We kiezen voor het juiste blijkt later. We betalen bij haar. Als we naar de uitgang kopen, er is een handige uitgang voor hen die zonder spullen de winkel willen verlaten, zien we mega lange rijen mensen staan met karren vol dingen. Rijen vol happy IKEA-families die thuis gaan klussen. Zo’n happy family zijn wij niet.

Zelfbedieningsmagazijn

Maar we waren nog niet klaar. Een dag later staan we bij het zelfbedieningsmagazijn en kies je rij 22, vak 29 even, blok 33 en zoek je het maar uit. Na de wachttijd bij de kassa zegt het meisje: ‘u mist een deel, kijk maar, hier staat ‘1’. Als dat er staat dan weet je dat er ook een ‘2’ moet zijn. We kijken naar de rij achter ons en tellen tot tien. Het meisje denkt mee en rekent alvast af zodat we met kar terug de winkel in mogen om alsnog deel 2 te halen.

Vooruitziende blik

En ik weet hoe het verder zal gaan. Eerst slepen we de dozen, altijd veel meer dan je zou willen, het nieuwe huis binnen. Op het etiket staat: geen gereedschap nodig. Maar dan ken je ons nog niet. We stapelen de dozen in de lege kamer op elkaar en kijken er naar. Op dat moment lijkt het ons nog een wonder dat daar op een moment iets uit kan ontstaan wat we werkelijk gaan gebruiken. ‘Morgen’ zeggen we en sluiten de deur achter ons.

Vandaag is het morgen.

De bloemenkiosk

In de buurt van ons huis staat een bloemenkiosk. Zo’n eenvoudig houten stalletje waar de deuren van op slot kunnen. Elke dag staan er bloemen buiten. Binnen staat de aardige bloemenkoopman te kletsen met buurtbewoners die bij hem een bakkie komen doen. Ik kom er graag.

Als we daar weer een keer stoppen om bloemen te kopen, zijn de deuren dicht. Op het raam hangt een handgeschreven briefje. ‘Wegens ziekte tijdelijk gesloten’. Een simpele mededeling. Ik staar naar de letters. Griep of erger?
Een paar weken later is het stalletje nog steeds gesloten. De dichte deuren en de leegte waar altijd de emmers met bloemen stonden, doen koud aan.

Er staan bloemen

Als we weken later vanaf de andere kant aan komen rijden zeg ik tegen Vriendin ‘ik ben benieuwd of het stalletje open is’. Om vijf seconden later blij uit te roepen ‘ja, ik zie bloemen staan’. Als we zachtjes langs rijden valt het hard of ons dak. Heel veel bloemen inderdaad, maar ze staan niet, ze liggen. Voor het bloemenstalletje is de grond bezaaid met rouwboeketten. Hoe rauw is rouw? Ik ken de man niet goed. Ik kwam er niet heel veel. Maar mijn hart krimpt wat ineen.

De mevrouw

Er is een e-sigarettenwinkel in Wateringen waarvan iedereen denkt dat het een dure juwelierszaak is. Zo’n uitstraling heeft de winkel, zo’n uitstraling heeft de eigenaresse van de winkel. Ze is op een norse manier vriendelijk en zeer hulpvaardig. Een dame om te zien. Goed gekapt en mooi in de make-up en ze heeft veel kennis van zaken. Ik kom er niet vaak. Ik ken de vrouw niet goed.

Op de site van de winkel heeft de dochter iets geschreven. Dat haar moeder onverwacht is overleden. Dat ze kapot zijn. De moeder, in de kracht van haar leven. De dochter die haar verdriet maar net onder woorden kan brengen. Ze hebben besloten om de winkel toch voort te zetten. Om wat moeder heeft opgebouwd te eren.

En ik zie soms zo maar de vrouw voor me. Haar blonde kort geknipte haar. Ik zie haar voor me alsof ik haar dagelijks zag.
De bloemenmijnheer zie ik voor me alsof het een oude bekende is. Zijn ietwat vale gezicht, de rimpels, de sjofele broek.

Er zijn al wat weken voorbij, maanden misschien zelfs. Maar soms, als het stil is zoals nu, komen ze langs. De mensen die een gezicht geven aan een wijk. Mensen die mij raken omdat ze (er) gewoon waren.