Dichter bij de dood (kan ik niet komen)

Gisteren, 2 november Aller Zielen, deed ik voor de eerste keer mee aan Dichter bij de dood. Een stemmige bijeenkomst op de begraafplaats Oud Eik en Duinen, waar zoveel kunstenaars, dichters, schrijvers liggen begraven. De bezoekers wandelden een met fakkels verlichte route en stonden stil bij de zeventien dichters die verspreid over de route, een voordracht hielden.

Voor mij een unieke ervaring om iets te vertellen over Jean Louis Pisuisse, die daar begraven ligt, en een eigen gedicht over de dood voor te dragen.
Maar het zat niet allemaal mee.

Stikdonker

Mijn plekje was stikdonker. Tot ik het lumineuze idee kreeg om een oliefakkel van een eindje verderop te verplaatsen naar mijn standplaats. Maar die was vast geplaatst door een krachtpatser van jewelste want hoe ik het ook probeerde, ik kreeg de fakkel niet in de grond. Stel je voor: donker, een zwevende fakkel met rond wakkerend vuur en een onhandige dichter die met de naderende voetstappen van de eerste bezoekers in het oor, een fakkel probeert te plaatsen. Uiteindelijk heb ik met twee handen mijn nagels kapot gegraven in de harde ondergrond. Zonder resultaat. Uiteindelijk het ding weinig respectvol op een grafzerk van een onbekende buurman geplaatst. Ik moest immers mijn handen vrij hebben om voor te kunnen lezen.
Niet echt een goede voorbereiding kan ik je verzekeren.

Mensen, mensen, mensen

Er was veel aanloop en voor een dichter die niet wekelijks in het openbaar spreekt, een goede oefening om de juiste toon en het juiste timbre te vinden. Omdat er zoveel groepjes langskwamen had ik de gelegenheid om dat te oefenen en kon ook steeds meer ‘zomaar’ vertellen. Mooie reacties, dankbaar publiek en een ludieke plek natuurlijk voor deze viering.

De meegekregen thermoskan met koffie was een lief gebaar. Maar heb je ooit in het pikkedonker een kopje koffie proberen in te schenken. Een kleine vloek, ook weer niet eerbiedig, liet ik toen de hete, zwarte vloeistof over mijn kapotte vingers stroomde.

Morgen meer over Jean Louis Pisuisse en de reden waarom ik hem heb gekozen.

De zeven zussen van Hill House

Ik heb niets met Haloween. Kijk met verbazing naar versierde huizen en spinnenwebben die aan deuren worden gehangen. Zie compleet verbouwde woningen waarbinnen zich, nu eens in het licht, duistere zaken afspelen.
Maar toch had ik mijn eigen Haloween.

Wat ik echt nog nooit heb ervaren is dat een afzonderlijk boek en serie zo veel op elkaar lijken dat de verhaallijnen door elkaar gaan lopen. In mijn hoofd dan. Dat maakt van een compleet onschuldig boek, een horrorleeservaring.

Serie en boek

De serie ‘ The Haunting of Hill House’ zie ik aangeraden worden door mensen die zeggen: ‘ook al houd je niet van ‘horror’, dit moet je zien’. Het gekke is, dat er in het begin van de serie niets gebeurt maar ik toch met een draaiende maag zit te kijken. Hoe dan? Geen muziek, stilte, filmische beelden van een groot en somber huis.
De boeken ‘De zeven zussen’ van Lucinda Riley download ik op goed geluk om er daarna achter te komen dat het een hit is. Geen diepzinnigheid maar vlot geschreven en uitnodigend om verder te lezen.

Verhaallijnen

De verhalen gaan over grote families. In Hill House een gezin met zo’n stuk of zes kinderen, in De zeven zussen zes zussen. Waarom er geen nummer zeven is, moet ik nog achter komen. In serie en in de film is er een groot huis, ver af van de bewoonde wereld. In Hill House een krakend en zuchtend kasteelachtige woning, in de Zeven Zussen een prachtig gelegen villa in een idyllische omgeving. Maar allebei groot en onbereikbaar.

Terwijl ik in de tram aan het lezen ben, blader ik terug want de vader was toch niet dood? Als ik een gewone passage lees over een vrouw die naar haar eigen souterrain gaat, houd ik mijn hart vast. Wat staat haar nu toch weer te wachten.

Dit is echt Mindfuck. Het maakt beide, kijk- en leeservaringen, nog specialer. Hopelijk vraagt niemand mij ooit waar de Zeven zussen over gaat. Net als vroeger, omdat ik zo snel lees, krijg ik dan te horen: ‘Jij hebt dat boek helemaal niet gelezen’. Alleen deze keer heeft iedereen gelijk. Ik lees een heel ander boek.

 

Boer zoekt, maar ik vind het niet

Vriendin heeft een niet eens heimelijke liefde voor Boer zoekt vrouw. En ik heb de laatste jaren ook vaker gekeken dan daarvoor. Eerlijk is eerlijk, vooral om er over te kunnen schrijven. Maar ik heb er nog geen letter aan besteed. Waarom? Er gebeurt niets.

Ik moest de site van BZV er even bij halen voor de namen van de boeren (M/V). Je hebt Marnix. Boer. Echt een boer. Wel een leuke kop maar zijn oneliners zijn tenenkrommend slecht. Grof en onbehouwen. Dat er waarschijnlijk een klein hartje inzit, wil ik best geloven. Wanneer gaan de vrouwen zelf eens denken: ‘wat doe ik hier met deze mijnheer Boer?’

Jaap is oké. En daarom al niet leuk om over te schrijven. Ook zijn dames zijn leuk. Het meest verrassende dat kan gebeuren is dat deze sympathieke man stiekem al getrouwd blijkt.

Wim. Wim werd het leukste jongetje van de klas genoemd. En terecht. Een leuke kop, leuke krullen, leuke kuiltjes in de wang. Maar wat zit er nog meer onder die kuiltjes? De gesprekken die hij met zijn vrouwen voert gaan over niets en dat houdt hij rustig een dag vol. En maar lachen. Een van zijn vrouwen mist diepgang. Flirten is een woord dat hij niet kent. Hij wil genomen worden. Dat zou wel weer leuke televisie opleveren.

Dan hebben we boerin Michelle. Een doortastende, best leuke verschijning. Maar een BoerenBitch. Ze commandeert de leuke jongens als konijnen in een hoed. Ze mogen er pas uit als zij het zegt. ‘Doe dit, doe dat, doe slimmer, doe sneller, doe meer, minder, beter, harder, zachter. De mannen kruipen nog net niet door de champignons maar dat kan zomaar gaan gebeuren.

Steffi. Steffi is Steffi. Geen woord teveel. Een lief, puur mens. Onhandig met haar lijf, onwetend van haar schoonheid. Eerlijke blosjes en oprecht verrast dat zij mannen kan bekoren. Ze heeft aandacht voor haar aardige jongens. Haar mannen zijn jongens, onzeker, onhandig maar flirten als de beste. ‘Ik heb geen cadeau voor jullie’, zegt Steffi. ‘Dat hoeft niet, jij bent er, dat is alles’. Hoe lief.

Ik kan het bijna niet zien als er iemand wordt weggestuurd. Zo pijnlijk en oneerlijk soms. Signalen blijken verkeerd begrepen of verkeerd uitgestraald. Ik wacht op het moment dat de drie vrouwen bij een boer die ze echt niet verdient, voor zijn keuzemoment opstaan en zeggen: ‘Je bent net iets teveel boer. We gaan’.

Niets nieuws onder zon en hoe fijn dat eigenlijk is

We moeten er echt aan geloven. Bladeren die naar beneden dwarrelen, de wind om het huis, de regen die met bakken uit de hemel valt. De klok een uur terug. Wintertijd.

En met wintertijd komen ook de feestdagen er aan. Vragen we weer vertwijfeld aan elkaar ‘wat hebben we vorig jaar eigenlijk gedaan en bij wie’? Want als je al zoveel jaartjes mee loopt en kerstmissen heb gevierd bij de vleet, dan raak je het overzicht kwijt. Maar ook omdat de ene kerst inwisselbaar is met de andere. Er is familie, er is eten en drinken, er is gezelligheid. Waar maakt niet zoveel uit.

Lootjes trekken

Ik kreeg een melding van lootjestrekken.nl. Ze missen me. Ze hebben gelijk. Ik was toch dat sinterklaasmeisje dat direct al weer lootjes liet trekken voor ons jaarlijkse sinterklaas. Maar ik zag het mailtje voorbij komen en liet het voorbij gaan. Sinterklaas vieren we nu al jaren met de drie zussen en aanhang. Voor de meesten heb ik minstens vijf keer een gedicht geschreven. Alle eigenaardigheden zijn nu wel benoemd.

De sloddervos blijft slordig. De vergeetachtige blijft vergeten, de dichter blijft dichten. Hoe ouder we worden, hoe meer onze eigenaardigheden, aardigheden worden. Ze horen bij ons als een jas die je nooit meer weg wilt doen, gewoon omdat die past en lekker zit. Zelfs anderen zouden jouw jas missen.

Verrassen

Ik realiseerde me dat ik in een sinterklaasgedicht niemand meer de maat zal nemen, dat ik niet meer vilein uit zal halen of bij iemand het schaamrood op de kaken zal doen ontstaan door iets te vertellen wat niemand nog wist.
We zijn nog steeds getrouwd met dezelfde, de kinderen doen het goed, we werken, we lachen, we leven. We eten regelmatig samen en elke foto die daar van is lijkt op de vorige en volgende. Vakantiefoto’s maak ik niet meer. Idem. Idem van hetzelfde.

Saai of iets anders

Zijn we saai geworden, voorspelbaar. is de schwung er uit? Het was wel het eerste dat ik dacht maar als ik de tijd neem om er over na te denken is het heel anders. Zou ik een sinterklaasgedicht schrijven dan zou het er één van liefde zijn. Van dankbaarheid om samen te delen wat zo gewoon lijkt maar het helemaal niet is. Er is rust in de tent.

Dus misschien moeten we toch maar lootjes trekken. Ik zou voor iedereen hetzelfde gedicht kunnen schrijven. Over samen zijn. Er altijd weer zijn voor en met elkaar. Hoe we hebben leren leven met elkaars aardigheden. Bij iedereen weten waar de warmte zit en het bittertje.
Een jaartje ouder een pijntje meer. Een pensioenleeftijd die aankomende is bij één van ons, een tweelingverjaardag in het vooruitzicht met een te bereiken leeftijd om U tegen te zeggen.

Heerlijk, niets nieuws onder de zon.

 

Lege bedden, leeg gebouw

Ik wist niet eens dat het kon. Ziekenhuizen failliet. Maar het is gebeurd. Gisteren werden twee ziekenhuizen failliet verklaard. Voor mij kwam het uit de lucht vallen, hopelijk voor de patiënten niet.

Personeel ontslagen, patiënten ontslagen en niet omdat ze beter zijn. Ontluisterende beelden toch op televisie, busjes die af en aan rijden om te redden (lees: mee te nemen) wat er te redden valt. Artsen die verslagen lijken, verplegend personeel die het niet kan geloven.

Hoe kan het

Ik vraag me alleen maar af hoe het kan. Op de een of andere manier beschouwde ik deze zorg als vanzelfsprekend, zoals onderwijs voor kinderen. De kille woorden van woordvoerders die hebben geleerd om het zakelijk te houden. ‘We gaan sluiten. Morgen moet het ziekenhuis leeg zijn’. Hoe dan, waar naar toe dan, wie zijn er nu nog om de patiënten te verzorgen. Operaties die gecanceld worden, afspraken afgezegd. Ingrijpende gebeurtenissen.
Het ziekenhuis is dus een gewoon bedrijf, dat verkeerd bestuurd kan worden. Waar te veel geld wordt uitgegeven aan duur ingevlogen personeel en slecht economisch beleid.

De minister blijkt er niet van te zijn. Dat is erg. Zorgverzekeraars zeggen ‘wij zijn er niet om een ziekenhuis overeind te houden’.
Bij Pauw is een chirurg als gast. Hij is ook verbijsterd maar vooral over de manier waarop dit gaat. Hij vraagt zich af waarom er niet netjes wordt afgebouwd,  zodat kwetsbare mensen niet in de kou buiten worden gezet. Ouderen die nog een gesprek met hun arts zouden hebben, die wachten op een uitslag of mensen die klaar waren voor een ingreep waar ze al weken mee bezig waren.

24 uur

24 uur was de naam van een serie waar een verhaal zich in een hele dag afspeelt. Dit lijkt er verdacht veel op. Hoe zal het er aan toe gaan, in die lange steriele gangen? Wordt er gehuild, gepraat, ingepakt. Vanmiddag zijn tenminste in één ziekenhuis de bedden leeg. De wachtkamers leeg, de receptie onbemand, de liften stil. Enkel nog wat witte jassen aan haakjes.

Ik vind dat een minister, onze regering, er wel van moet zijn.

Ieder z’n mening maar wat is een mening?

Een mening hebben suggereert dat je ergens iets van weet en dat je er daardoor iets van vindt. Hoe kun je anders een mening hebben. Er zijn veel definities van ‘mening’. Misschien dat er daardoor ook zo veel ‘meningen’ zijn.
Mening is manen

(bron: geneeskunde.net) Het werkwoord ‘menen’ waar het zelfstandige naamwoord ‘mening’ van is afgeleid, hangt samen met ‘manen’ en is gevormd uit het Gotische ‘munan’ en het Sanskriet ‘manas’, wat ‘denken’ beteken.

Een mening veronderstelt dus ‘denken’. Denken kan omschreven worden als een innerlijk of mentaal proces waarbij een beeld of voorstelling, herinnering, of idee wordt gevormd. Eigenlijk is het de bedoeling dat we nadenken over gedachtes die we krijgen. Kloppen de gedachtes? Hoezo dan wel of niet?

Waar komt die woede vandaan?

Je zult je afvragen waar dit getob toe moet leiden of waar het in hemelsnaam vandaan komt. Van de week trad bij Pauw een cabaretduo op, twee vrouwen met een lied over de ‘kleine, witte man’. Het ‘kleine’ zegt al genoeg. Ik was niet echt onder de indruk van het geheel maar dat doet er niet toe. Later lees ik hoeveel reacties er zijn van boze, witte mannen en vrouwen, op het duo en op de inhoud van de tekst. Wat ik nooit doe… ik klik op ‘bekijken van reacties’ en ben een half uur later nog steeds verbijsterd tot het bot.

Ontelbare ‘meninkjes’ van grof tot kwetsend, van lelijk tot haatdragend: de (dood)verwensingen vliegen je om de oren. En ik snap het werkelijk niet. Ik begrijp niet waarom mensen anoniem zoveel lelijkheid willen delen, zoveel schoppen uitdelen, zoveel minachting hebben voor andere mensen. Je kan een lied mooi vinden of niet, een vrouw knap of niet, je kan het eens zijn met een tekst of niet. Een gedachte is een onderdeel van een denkproces maar voor heel veel mensen is de gedachte het eindoordeel. Elke gedachte. En elke misplaatste  woede of verontwaardiging kan het begin zijn van een gedachte.

Social media

Social media heeft veel mogelijk gemaakt. Mooie dingen, lelijke dingen. Dat ligt niet aan ‘social media’, dat ligt aan ons natuurlijk. Vroeger kon je jouw mooie of minder mooie gedachte delen met je vriendenkring. Door het hardop te zeggen. Werd je soms op je plaatst gezet of op je schouders geslagen.
De anonimiteit maakt van elke ‘loser een winner’. Zo zal het misschien wel voelen. Ik weet het niet, ik ken het niet.
Ik ben geen heilige, heb ook gedachtes die niet mooi of netjes zijn maar gelukkig herken en erken ik de meeste en zie ik ze vooral als onderdeel van mijn groeiproces, een proces om zuiver te zijn.

Heel even dacht ik om onderaan die hele lijst van tweets mijn verwondering en verbijstering uit te spreken. Maar ook dat zou weer een lawine aan reacties opleveren.

Sociaal is normaal. Dat is eigenlijk wat ik wil zeggen.
Maar conclusie?
Een zinloos blog schreef ik vandaag.

Nog zo’n mooi document

Schreef ik deze week over de ontroerende film over mijn ouders, er was nog een film die we bekeken. Toen mijn tweelingzus en ik vijftig werden, is er als verrassing een film gemaakt door vrienden. Een film met beelden, interviews en meer.

Het waren gesprekken met onze moeder en met onze partners en de dochters van mijn zus. De film begint met beelden van de keurige woonkamer van mijn moeder. Haar handen die de ketel vastpakken, een kop en schoteltje neerzetten. Beelden van de glazen vitrinekast waar de auto’s in staan die mijn vader met uiterste precisie maakte.

Alleen het zien van die ‘stille’ beelden roepen bergen herinneringen op. Die roze auto staat nu bij mij ergens te staan. Waardevolle spullen van mijn ouders, waar ze hun leven lang zo zuinig op waren en die na hun dood, ook vergaan bleken. Als de ziel uit huis is, is het dikwijls ook uit de spullen.

Moeder

Mijn moeder was nerveus, zegt mijn zus die er destijds bij moest zijn. Want hoewel slechts een camera van vrienden, voor haar was het een spannende aangelegenheid. Ze vertelt over haar leven, het gezin van vroeger. Dan gaat het over ons. Veel te moeilijke vragen soms voor een generatie die niet is groot gebracht met navelstaren. ‘Welke eigenschap van Anja had u willen hebben?’. Het blijft lang stil en dat begrijp ik heel goed. Soms zit je te dicht op elkaar om iets te willen hebben van diegene.

De zusjes

De zusjes waren wij. Heel soms hadden mensen onze namen goed. De karakterschets die mijn moeder van ons maakt is haar karakterschets. Het is niet zozeer pijnlijk of ontroerend, het stemt tot nadenken, tot er nog even over willen praten met haar.

Wat blijft hangen is haar antwoord op de vraag: ‘Als u alles over zou kunnen doen, wat zou u dan overdoen?’
‘Alles’, zeg mijn moeder. Ik hoor een nerveus lachje van de vriendin die het interview afneemt. Niet het antwoord dat zij en wij wilden horen maar we begrijpen haar zo goed. Ze legt uit: ‘Er was geen tijd voor vriendinnen, voor studeren, voor werken. Er waren vooral altijd zorgen’.

En ik weet zeker dat ze geen andere man had willen hebben, geen andere of meer of minder kinderen. Ze was zo’n moeder die er altijd was en waar je altijd bij terecht kon. Maar wat had ze graag meer lol willen hebben. Willen zingen en lachen. Zorgeloos leven. Het leven hebben dat wij, haar kinderen, leiden.

Wat een prachtig cadeau is dit toch. Bijna 10 jaar later zien we het weer voor het eerst. Horen we haar stem, zien we haar vingers die altijd nerveus bewogen. Zien we hoe ze al ziek was maar dat allemaal nog niet wisten. Een jaar later zou ze overlijden.

Ik ga mijn vrienden nog een keer bedanken.

De laatste dans

Gisteravond waren zus en zwager op visite. En zoals afgesproken, zouden we eindelijk filmopnames bekijken van wat familieaangelegenheden. Beelden waarop mijn ouders te horen en te zien zijn. Sinds hun overlijden hadden we dat, ‘te heftig’, nooit meer bekeken.

Er is een film van het vijftigjarig huwelijk. Wij, de kinderen, hadden een feestavond georganiseerd met alle broers en zussen van onze ouders. De film start. Impressies van de mooie locatie. Een auto komt aangereden. De achterportieren gaan open en links stapt mijn vader uit. Mijn adem stokt. Een oude man, ziek al, gebogen, pet op zijn hoofd, dik aangekleed om elk koutje te vermijden. Hij loopt traag naar de andere kant van de auto om mijn moeder de helpende hand te bieden. Zij stapt uit, die keurige, vermoeide vrouw.

Zingen

De zussen van mijn moeder zitten later op de middag samen in een kring en zingen oude liedjes. Zussen: moeders en oma’s van vele (klein)kinderen. Zussen van het leven van hard werken, zorgen voor en zorgen maken. Ze zingen. Oude liedjes, ze pakken elkaars handen vast en lachen. De broers komen er bij. Onwillens in het begin om in die gekte mee te doen maar even later zingen ze net zo hard ‘een pikkentanesie gaat er altijd in’.

Niet meer

Beelden van alle gasten. En bij heel veel gasten concluderen we dat ze er niet meer zijn. Onze eigen ouders, schoonouders, tantes en ooms. We zien hoe mijn ouders ons cadeau uitpakken en werkelijk geen idee hebben wat het is. Beelden van mijn vader die vecht tegen de tranen want mannen huilen niet. Beelden van onszelf: ‘wat een dikke kop’, ‘dat haar!’, ‘toen was je nog met die’ en ‘oh, die snor’.

Dansen

Dan klinkt er langzame muziek. Zwoele muziek. De oudere paren dansen samen. Als verliefde stelletjes. We zien mijn vader en moeder dansen en weten hoeveel moeite het mijn vader moet kosten om te staan en te bewegen. Ze houden elkaar innig vast, haar hoofd tegen zijn kin. Ze kijkt op, ze kussen elkaar zacht.

Dat beeld. De tranen springen in onze ogen. Zij, moe van al het zorgen voor haar zieke man. Hij, moe van het ziek zijn en van het niet meer de man kunnen zijn die alles kon.
Hun laatste dans.

 

 

 

Een beetje passie alsjeblieft

Via Linkedin krijg ik felicitaties. Twee jaar is het al dat ik als zzp’er begon. Twee jaar, het is voorbij gevlogen. Het lijkt korter, het lijkt sneller, het is zeker intenser. Minder inkomsten dan voorheen, minder structuur maar veel meer passie.

Mijn keuze om voor mezelf te beginnen was er eentje recht uit het hart. Niet gedwongen door omstandigheden maar gedwongen vanuit datzelfde hart. Gisteren had ik een afspraak met twee mannen die door omstandigheden plotseling een keuze moesten maken die ze misschien anders niet hadden gemaakt.

Restauraanteigenaren

Daar zaten ze aan een tafeltje te wachten op mij. Het verhaal? Beide enthousiaste horecamensen, krijgen te horen dat het restaurant waar ze werkten, er mee op zou houden. Bedankt voor de mooie jaren. U kunt gaan. Beide mannen niet meer echt piep maar met wel een nog heel leven voor zich. Zich afvragend of ze ooit nog ergens aangenomen zullen worden, besluiten ze het roer om te gooien. ‘We gaan het zelf doen’.

En nu zijn ze eigenaar van een klein restaurant. Ze werken zich al maanden uit de naad om de boel op poten te zetten. Ze staan vroeger op dan ooit, maken langere dagen dan ooit, genieten  en zitten soms ook met gierende spanning in het lijf want gaat het lukken?

Reserveren

Hun enthousiasme maakt dat ik nu al bij ze wil gaan eten. En dat is knap want er staat nog geen tafeltje klaar om aan te schuiven. Maar de passie is te lezen in hun ogen en te voelen aan de energie. ‘We zijn nog niet echt oud’, zegt de één. De ander knikt: ‘ik ben nog lang geen vijftig’. Ik glimlach. Ik ben die vijftig al ruim, ruim, gepasseerd. En kijk ons daar zitten. Drie mensen die willen, die kunnen, die gaan. Ik word er blij van.

Ze zijn oprecht blij met elkaar als eigenaar-collega’s. Hun respect voor elkaar is groot. Ze geloven er in. En ik geloof in hun. Met mijn tas vol met hun nieuwe telefoontjes en simkaartjes (want horecamensen moet je niet lastig vallen met techniek) ga ik naar huis. Domeinnamen, acccount, webhosting, google, facebook… je moet ze er niet mee lastig vallen.

Ieder z’n vak. Ieder z’n passie. Ieder z’n eigen stuiter.

Mijn nieuwste oud-collega’s

Toen ik ongeveer een jaar geleden als freelancer bij de krant begon kwam ik terecht in een wazige wereld. Neer geplempt op een stoel achter een scherm had ik geen idee wat er van mij verwacht werd. Mijn nieuwe collega’s keken met dezelfde verwarring naar mij. Het nieuwe avontuur begon.

Een groepje van zes totaal verschillende types gingen hetzelfde werk doen. Geen ingewikkeld werk maar wel werk waarbij enige concentratie vereist was. We werden op de afdeling al snel ‘de stilteplek’ genoemd. Geen tijd voor een grapje of gesprekje. Tikken. Toch ontstond er in die stilte een band.

Oud-collega’s

Sommigen gingen een paar maanden geleden iets anders doen en gisteravond hadden we onze eerste wijken-borrel. Stel je voor, je pikt ad random vijf mensen van de straat en zet ze aan een tafel. ‘Jullie worden collega’s’. Zo ongeveer moet je je dat voorstellen. Het gekke is, dat het klikt met ons. We klikken ondanks al onze verschillen in doen en laten, in leeftijd en levenservaring. De eerlijkheid gebied dat ik de allermeeste levenservaring in jaren heb en zo ook verhalen hoor die ik niet zelf heb meegemaakt want ‘van na mijn tijd’.

Tinderseks

Ik hang aan de lippen om de verhalen over Tinder te horen. De vrouwelijke collega vertelt met smaak over nummer één, twee, drie en vier waarbij we beurtelings onze handen voor de mond slaan want ‘erg’. Ik hoor over ‘tinderseks’ en kan naar waarheid zeggen dat ik dat nooit gehad of gedaan heb maar misschien heette het vroeger anders. Een van de mannen heeft een tinderliefde opgedaan in een ver, ver land. Hij gaat weer terug naar haar. Op de vraag of hij verliefd is zegt hij dramatisch: ‘Ja, denk je dat ik voor mijn lol naar dat prachtige, zonovergoten paradijs ga’. Tinder is dwingend, blijkt.

We gaan van ‘high’ naar (b)low. Zij zijn mijn nieuwste oud-collega’s. Wonderbaarlijk hoe een bijeengeraapt zootje toch een clubje kan worden waarbij je wilt horen. Gewoon door stukjes te tikken over bingo-avonden, brei-groepjes en rommelmarkten.