Honden en hitte: niet lopen maar zitten

Ami is een winterhond. Ook niet gek natuurlijk met die dikke vacht. Zij reageert op sneeuw zoals ik op de zon.

Het was warm de afgelopen dagen. En hoe slecht ze ook lijkt te gedijen in de hitte, ze zoekt het continu op. Gaat liggen daar waar de zon het felst is. Met de tong uit de bek, haar hartje dat zo wat de romp uitbarst, ze houdt vol. Een shiba zou slim zijn, ik kan het hier nog niet ontdekken.

Schaduw

Hoewel we toch er van uitgaan dat honden zelf wel de schaduw opzoeken, help ik haar toch een handje. Lok haar naar de schaduw of doe de gordijnen dicht als ze eenmaal binnen is. Een strookje zon kom nog binnen. Daar gaat ze liggen.

Uitgaan

Een blokje om is volgens Ami totaal niet aan de orde deze dagen. We roepen en ze gedraagt zich volledig Oost-Indisch doof of in haar geval Oost-Japans doof. Ze kijkt niet om of op. De kop de kant op waar wij niet zijn. Ons totaal negerend als waren wij lucht. Als wij uiteindelijk naar haar toe komen en de riem om haar nek doen, laat ze zich meeslepen als een lammetje naar de slachtbank. Ami is van nature lui maar dit soort lui had ik nog niet meegemaakt. Om de twee stappen staat ze stil. Wil niet links, niet rechts, niet naar voren of naar achteren. Gewoon niks wil ze. Om ons de zin te geven springt ze op een eigenaardige manier op een laag grasje om daar wat druppels plas te laten vallen en kijkt ons dan aan met een blik van: ‘ik ben klaar, gaan we weer terug’.

We gaan terug. Ze huppelt nog net niet voor ons uit. Binnen beweegt ze zich heupwiegend en uitdagend naar de tuin en ploft neer waar de zon ook is neergeploft. Ik plof naast haar neer.
Gek beest.

 

De eerste steen

We hadden de eerste officiële steenlegging van ons nieuwe appartement. Met een feestelijke bijeenkomst. Een Rijswijkse wethouder, wat bobo’s en de mogelijkheid om de nieuwe buren te ontmoeten. De zon scheen, de lucht was blauw en steigers blijven steigers.

We wandelen naar ‘ons’ gebouw en ontwaren iets wat ons terras zou kunnen worden. Zien dingen die andere mensen al lang op tekeningen hadden gezien en ik maak me zorgen. Het lijkt veel kleiner dan ik van te voren had gedacht. Bij wat onze balkondeur zal moeten worden zie ik een splinter zonneschijn. ‘Als we aan de deurpost hangen, pikken we nog wat zon mee’, zeg ik optimistisch tegen Vriendin.

Wethouder

De wethouder houdt een praatje en onthult een oude steen die in de nieuwe muur is gemetseld. Een oudere heer naast me bromt ‘eindelijk een ambtenaar die iets doet voor zijn geld’. Ik kijk de man aan. Zou zomaar de voorzitter van de VVE kunnen worden. Dat type. ‘Eén voordeel’, gaat de man verder, ‘zolang hij hier is, kan ‘ie geen foute beslissingen nemen’.
Ik hoop alleen maar dat deze mijnheer een andere sticker krijgt opgeplakt later. Aan de stickers zullen we elkaar herkennen is ons immers beloofd.

Oppepper

In de Rijswijkse Schouwburg vertelt de wethouder verder. Dat deze schitterende appartementen zijn bedoeld als oppepper voor de wijk. Hij kijkt rond en zegt blij te zijn met ‘de grote verscheidenheid aan bewoners’. Ik zie het niet. Vijfennegentig procent van de bewoners is blank en vijftig plus. Er is slechts één homostel te ontwaren: yes.

Buren

We ontmoeten onze buren. De blauwe stickertjes drijven ons in de armen van bouwnummers die grenzen aan de onze. Leuke buren, leuke gesprekken, nu al, we zijn blij. Een vrouw kijkt zorgelijk. Het huis wordt eerder opgeleverd dan ze gehoopt had. Ze is nog niet toe aan afscheid nemen van de oude woning. Wij delen onze zorgen en krijgen bijna medelijden met elkaar. Zielige mensen zijn we, die gedwongen werden hun heerlijke huis met tuin op het zuiden te verkopen, die van de hele dag zon naar een halve dag zon gaan, van drie etages naar slechts één.

Als ik hardop zeg dat we ons moeten schamen lachen we. We proosten op de toekomst, een nieuwe plek om te wonen en ik kan eerlijk zeggen, na een stuk of achttien keer verhuisd te zijn, dat het altijd goed zal komen. Het huis moet alleen nog gaan lijken op het plaatje van de verkoopbrochure.
En de rest is aan ons. Wij zijn het huis.

 

 

De trol ben je zelf

Er zijn veel omschrijvingen voor een ‘trol’. Voor ‘flames’. ‘De internettrol kent vele gedaanten, maar is er altijd op uit om verwarring te zaaien en niet in positieve zin. Volgens het Scandinavische volksgeloof zijn trollen afzichtelijke en boosaardige wezens. Ik denk dat beide omschrijvingen het wel zo ongeveer zeggen. Maar vraag me ook af of we onze eigen trol herkennen.

Vanmorgen lees ik een stuk in de Volkskrant over de ophef over de negatieve tweets over prinses Amalia. Dat er van de vele, vele positieve tweets een stuk of 30 waren die gingen over haar uiterlijk in negatieve zin. Dat die 30 tweets zowat drie dagen het nieuws waren op radio en in columns. Hoe we met z’n allen verontwaardigd en boos zijn op wat eigenlijk niet de moeite van het noemen waard is.

Dotan

Nog zo eentje. De wereld valt over Dotan. De man kan nergens meer verschijnen. En ook ik vind het dom en stom dat hij dit gedaan heeft. Maar de schande die er wordt gesproken, hoe er niets meer overblijft van iemand die zich maar het beste ergens (voor altijd) kan verstoppen. Het gaat mij allemaal te ver. Zijn gedrag zegt eigenlijk alleen maar hoe hij als mens blijkbaar ernstig in de war is (geweest) en zijn eigen talenten heeft onderschat.

Normaal

We kennen Bennie Jolink van Normaal. Zanger en frontman en even bekend om zijn drankgebruik en -misbruik dan om zijn oerendharde rock. In een interview geeft hij toe dat van te voren dikwijls de flesjes bier die zij dronken op het podium gevuld werden met energiedrankjes. ‘We verdienden er goed aan als de omzet van drank tijdens onze optredens flink opliep’. Trollengedrag waar iedereen maar al te graag in geloofde. Maar net zo nep als de fake-accounts van Dotan.

Mijn punt is dat we ons vaak zo laten meevoeren door kortzichtige emoties en verwijten. En ongetwijfeld doe ik dat ook soms. Het is ook veel eenvoudiger en makkelijker om zo maar iets aan te nemen, dan de moeite te nemen ergens stil bij te staan en zelf te onderzoeken. Maar onderhand maken we zelf meer kapot dan ons lief zou moeten zijn.

 

Volhouden tot je niet meer bang bent

Hans Pool / Human

Wat een prachtige serie is ‘In de Leeuwenhoek’. Hugo Borst en Adelheid Roosen verblijven een maand tussen de dementerende bewoners van het huis. Vooral Adelheid Roosen ontroert mij.

Ik houd sowieso van Adelheid Roosen. ‘Een tikkie vreemd maar wel lekker’. Dat denk ik altijd als ik haar zie. Ik heb die voorkeur voor mensen die een beetje anders zijn.

Wat mij ontroert is hoe zij zich met haar hele hebben en houwen in de wereld van dementie gooit. Hoe ze onderzoekt, bevraagt, verwondert en durft. Hoe ze haar armen spreidt voor de ouderen die de weg kwijt zijn.

Dansen

Zo danst ze prachtig samen met een oudere dame, die zich met een trage glimlach op de lippen laat meevoeren. Maar met hetzelfde gemak ligt ze in een hilarische deuk als ze drie gebitsprotheses vindt op een hoge plank in een kast. En dan maar passen, welke is van wie? Of haar gierend lachen als een bewoonster keer op keer de achterkant van de vork in haar mond steekt als ze wil eten. Adelheid lacht en het mag. Dat is vooral wat ik als boodschap zie. Maar er is een grotere boodschap.

Angst

Het gaat over angst. Niet de angst van de bewoners, hoewel ik me slechts een beetje kan voorstellen wat je doormaakt als je het niet meer weet. Maar het gaat om de angst van de mensen er om heen. Die niet weten wat ze er mee aan moeten, bang zijn, onhandig, onwetend en daarom niet meer komen. Ik herken die angst. Ik heb vaker meegemaakt dat ik tussen dementerende ouderen was en een lichte paniek voelde. Wat moest ik zeggen, doen, denken. Wat zeggen ze tegen mij.

Maskers

Het verblijven tussen mensen die dementeren is het verblijven tussen mensen zonder maskers en daardoor voel ik mijn eigen maskers des te meer. Want daar heb je geen maskers nodig maar ik weet niet waar ik ze moet laten.  Ben ik bang om gekwetst te worden. Maskers uit zelfbehoud. Ik wist het maar door dit programma weet ik het nog beter.

Wat overblijft bij dementerenden is het pure. Los van werk, huis, gezin. En om daar goed mee om te kunnen gaan moet je iets met je eigen puurheid. Een paar keer mocht ik ervaren wat er overblijft als je alles laat varen.
Dan word je stil, klein en vanzelf lief en zacht.

 

 

 

 

Kinderpraat op hoog niveau

Na onze lunchstop onderweg naar ons familieweekend wilden N en N, de kinderen van mijn neef, met ons mee in de auto. Niet één enkele keer heb ik gedacht dat het komt omdat wij zo leuk zijn. Ami, onze hond, in de auto, gaf de doorslag.

Het werd het leukste half uurtje ooit. De gesprekken die zij samen hadden en met ons, gingen van hilarisch tot ontroerend. En ik weet dat het ook een momentopname is, dat wij ze nooit achter het behang hoeven te plakken, maar toch: een hoopvolle blik op de toekomst.

N, het meisje van negen, praat over vriendjes en vriendinnetjes. Dat ze eigenlijk maar één echte vriendin heeft. Dat die haar echt begrijpt. Ze praat ook over een jongetje die ADHD heeft, die zij weer heel goed begrijpt. En dat hij ook heeft gezegd dat hij dat fijn vindt. N: ‘Dat is fijn dat ik dat weet want anders blijf ik ook maar zitten kijken. Nu weet ik dat hij het fijn vindt als ik voor hem opkom, dan kan ik wat doen’.

Daar zijn zusjes voor

Ook heeft ze het over haar broertje N. Dat hij haar altijd opzoekt als hij gepest wordt of pijn heeft. Dat ze dat wel prima vindt maar ook denkt dat hij eens een keer zelf iets moet oplossen en niet altijd naar haar moet komen. Broertje N is het met haar eens maar zegt hij: ‘daar zijn zusjes toch voor’. Als zij hem verwijt dat hij nooit voor haar opkomt als er iets is legt hij uit waarom: ‘daar kan ik niets aan doen, ik word altijd meegetrokken door vriendjes’.
Als ik de ernstige bekkies zie, smelt ik bijna. De wijze woorden en zinnen en levenslessen die ze blijkbaar al ergens hebben opgeslagen.

Pedagogisch onverantwoord

We worden gesneden door een auto en ik zeg een lelijk woord van drie letters. De kinderen slaan met een grote lach de handen voor hun mond. Ik probeer het nog goed te maken, dat ik ‘lol’ zei maar ze trappen er niet in. Maar zegt het jongetje: ‘Het is minder erg dan die erge ziekte. Dat mag je echt niet zeggen’.

Door het glazen dak van de auto kan ik ze gelukkig afleiden door in de wolken krokodillen te ontdekken. We turen omhoog tot we er draaierig van worden. N kan mooi tekenen. Ze weet dat ik schrijf. We hebben het over een familieboek maken, samen, hoe leuk dat zou zijn.

Haar broertje zegt dat als zijn zusje groot genoeg is om samen met mij te werken aan een boek, ik dan misschien ook wel oma ben. Wie zal het zeggen?
Maar zijn zus ziet het anders. ‘Daar hoeven we toch niet op te wachten. Ik kan nu ook heel leuk tekenen.’

En zo is het.

 

 

Ami op familieweekend

We hebben een familieweekend achter de rug. Zestien volwassenen, 9 kinderen en drie honden. Voor Ami was het een belevenis op zich. We hebben haar meegemaakt zoals we haar niet kenden. Dit vrouwtje houdt zich prima staand tussen de grote heren.

Naast Ami waren er twee supermooie, krachtige, grote Weimaraners te gast. Van nichtje B. De honden kennen elkaar vaag maar daar is het wel mee gezegd. Ons verblijf was zo ruim en vrij en veilig dat kinderen en honden vrij konden bewegen. Hoe heerlijk is dat. Even geen riem (voor de honden dan) om je nek en zelf bepalen wat je gaat doen.

Bang

Dat met kinderen die nog wel een hondenangst te overwinnen hadden, gaf dit weekend een mooi onderliggend doel. De kinderen gingen mee met Ami uitlaten en al snel had zij negen baasjes die haar met de hand in de lucht opdracht gaven te zitten. En ze deed het gewoon.

De etensbak van de mannen was veel veel interessanter dan haar eigen mini bakje. De heren dropen af als Ami heupwiegend aan kwam slenteren om daarna als een idioot de bak leeg te plunderen. De heren keken toe. Die maken zich niet zo druk om eten.

Waken

Dat er een kop opzit wisten we natuurlijk wel. Onze kamer waar Ami ook sliep was al snel haar domein. Als één van de andere honden alleen maar even de neus over de drempel stak kwam ze als een moeke aangerend om jankend haar hol te bewaken. Met succes. De heren zetten geen stap over de drempel. Als ze zich terug wilde trekken liep ze de gang in om voor de deur van de kamer te liggen of lekker onder het bed te kruipen.

En ‘s ochtends wist ze van opwinding niet wie ze eerst moest begroeten. De staart maakte overuren. Deze week hebben we geen hond meer aan haar. Dat weten we. Moe en voldaan. Net zoals wij.

 

 

De nachtmerrie die Dreamschool laat zien

Ieder kind, elk afhankelijk wezen, zou op deze manier gedragen moeten worden. Omringd door warmte, vertrouwen en veiligheid. Maar ja.

Het tweede seizoen van Dreamschool is minder mooi dan het eerste. Minder succes, meer frustratie, meer eenzaamheid en meer wanhoop. Dat is niet mooi om te zien, het is hartverscheurend lelijk.

Schuld

Het is de hartverscheurende leegte van het niet kunnen bereiken van jonge mensen. Bij een enkele wordt een snaar geraakt, de ziel betast maar er is te weinig liefde voor iedereen. Ergens heel vroeg is het fout gegaan. Bij de ouders of juiste bij geen ouders? Bij het karakter zelf van het kind? Onmacht en onkunde. Of doordat mensen zelf nooit hebben geleerd hoe het is om echt vastgehouden te worden.
Wat mag je als kind dankbaar zijn als er ouders of andere mensen om je heen zijn die de staat van volwassenheid bereikt hebben. Die zichzelf kennen, hun driften, hun valkuilen, hun eigen frustraties en verlangens.

Beloning

Ouderschap zou een beloning moeten zijn. Niet van ‘af-zijn’ maar klaar zijn om te ontvangen en te geven. Niet een beloning van perfectie maar de beloning van je best doen, van vallen en opstaan. Van klein kunnen zijn en nederig, van groots kunnen zijn en liefdevol. Van op je bek durven gaan.

Lucia Rijker en rector Eric van ‘t Zelfde proberen het met alles wat ze in zich hebben. Het is bijna pijnlijk om naar hun frustratie te kijken. Je zou hen ook willen troosten in het ontroostbare. De werkelijkheid is soms moeilijk te aanvaarden.

Hele generaties jongeren gaan naar de klote en maar een enkeling zal de hand kunnen pakken die nodig is om ergens uit te kruipen. En al die jongeren beginnen straks weer hun eigen gezinnen. Met de beste bedoelingen.

Dreamschool 3

Ik twijfel of er nog een Dreamschool 3 gaat komen en als het wel zo is weet ik niet of ik ga kijken. Er is meer dan een televisieprogramma nodig om echt iets te kunnen betekenen voor gebroken harten. Ik kan het slecht aanzien. In gedachten hoor ik Lucia Rijker zeggen: ‘Oh, en geef je het dan maar op?’

Een echtpaar na de vakantie

Het vliegtuig is niet helemaal vol zodat alle stellen per twee naast elkaar kunnen zitten zonder lastige pottenkijkers er naast. Zo ook het echtpaar achter mij.

Zij is veelvuldig aan het woord. Hij antwoordt soms met ‘hmm’ en ‘ja’ of ‘nee’. Dan zegt zij: ‘Ik heb eens zitten denken, je verjaardag, die moet je nu wel vieren, we zijn gewoon thuis, dus tja…’
De man zegt niets.
Zij: ‘Ik dacht als we nu Hennie en Ton, Marja en Henk en Ina en Leo. Gewoon klein. Doen we gelijk Marleen en Maria, zijn we daar ook weer voor een tijd vanaf. Ik maak pasta, gewoon simpel, klein, wat denk je?’
De man zucht. ‘Kan dat niet later, als we thuis zijn’.
De vrouw heeft nog veel meer argumenten. Ik val in slaap.
Even later word ik wakker.
De vrouw zegt zachtjes: ‘Ik vind het heel vervelend dat je zo bot doet. Je kan toch ook gewoon lief reageren, ik doe het voor jou!’
De man: ‘Ik zit met mijn hoofd nog op Kreta, jij bent met mijn verjaardag bezig, dat is over twee maanden, kan toch nog wel even wachten?’

De vrouw vindt van niet. Je kan het maar beter gepland hebben. En het is toch leuk, je verjaardag een keertje vieren?
De man vindt van niet. Hij houdt er niet van. Dat weet ze toch.

De vakantie is voorbij.

 

Huppelen en bellen blazen

We hebben in Sitia ‘ons’ restaurantje ontdekt. Goed eten en een vriendelijk eigenaar. Uitzicht op zee en op iedereen die voorbij komt.

Waar we zitten kijken we uit op een breed stuk boulevard, een pleintje bijna. Kinderen spelen en fietsen daar. Ondeugende bekkies, liefdevolle armpjes die een ander kind troosten en inventief verzonnen spelletjes worden er gespeeld. Er worden bellen geblazen en gevangen. En er wordt gehuppeld.

Hup

Huppelen is een manier van voortbewegen met kleine sprongen. Het ziet er leuk uit en als ik me goed herinner is het fijn om te doen. Kinderen huppelen en wij vragen ons af wanneer we gestopt zijn met huppelen? Was er een dag dat het niet meer mocht? Dat je weet: nu is het afgelopen met dat gespring, we lopen voortaan in een rechte lijn?

Kijk, dat je niet meer met poppen speelt, oké, er komen echte mensen voor in de plaats. Met auto’s spelen hoeft ook niet meer, je hebt een echte auto. Maar wat kwam er in plaats van huppelen? Stel je voor dat volwassenen ineens huppelend door het leven zouden gaan als ze zich huppelend voelen. Vanzelf gaan dan de stijfgesloten lippen van elkaar en als je heel goed luistert hoor je iets van een lach, plezier, blijheid.

Vrij zijn

Wat is er gebeurt met ons spelen, met ons vrij zijn? Dat we plots niet meer weten hoe we moeten dansen, leven, zijn?
Die kinderen hier maar eigenlijk in elk ander land hebben het nog. Niets is leuker dan kijken naar spelende kinderen. Het herinnert mij vaag aan hoe ik ooit ook was. Helaas hebben we therapieën nodig om het terug te halen. En dan nog besef ik dat ik de vrijheid zou willen omarmen maar ‘k weet niet hoe.
Misschien gewoon maar beginnen met huppelen of bellen blazen straks op de boulevard.

Zeven vette jaren

Als twee blije mutsen zitten we deze dagen gelukzalig naast elkaar. We mompelen ‘wat is het fijn’ en lachen bijna verlegen om alle harmonie. We praten, we lachen, we zijn stil.

Alle gaat vanzelf en als de zon schijnt lijkt het nog makkelijker te gaan.
Zoals ooit onze eerste ontmoeting. Vanzelf. Ons besluit om samen te gaan en te blijven. Vanzelf. We zijn waarschijnlijk al honderd jaar samen.
Het is een geruststellend samenzijn. We vieren belachelijk vaak elk klein moment van geluk.

Geluk

Vriendin zegt dat we volgende maand zeven jaar getrouwd zijn. Zeven jaar. Ze zijn voorbij gevlogen, hand in hand met veel mooie momenten en hier en daar wat zeer.
‘Ik hoop niet dat dit de vette jaren waren’, fluistert zij.
Ik antwoord: ‘wat als dit de magere jaren waren’?
Daar moeten we zelf heel hard om lachen want vetter dan dit kan eigenlijk niet. Veel meer geluk kunnen we niet aan.