Bas wordt oud

Heel lang konden we het volhouden: onze hond toont als een jonge god. Hij springt en rent, hij vangt de bal met zoveel passie alsof hij nog aan zijn carriëre moet beginnen.
Niets is minder waar. Bas is 11. Al een paar weken valt mij op dat zijn koppie veranderd. Er komen rimpels in, de lijnen rond zijn ogen worden dieper en triester, smeren helpt niet meer. Als hij het te druk vindt in de kamer dan trekt hij zich terug, onopvallend zoekt hij een plek om de drukte te ontlopen. Onopvallend is het echter al lang niet meer. Als hij boven in zijn favoriete kamer is (onze slaapkamer) dan kan hij niet meer zo goed op bed springen. Laatst hoorden we een heel raar geluid. Waarschijnlijk heeft hij geprobeerd zich aan het strakke onderlaken op te trekken met als resultaat dat een reep van een paar centimeter over de hele lengte van het bed als een koord op de grond ligt. Nieuwe lakens kopen. Hij jankt, piept, blaft zielig: ‘help me dan toch.” En waar hij eigenlijk niet op bed mag, nooit op bed mocht, peins ik me gek over een oplossing. Een trapje? Een verhoging voor het bed zodat hij makkelijk ‘in kan stappen’, een lanceerapparaat?
Ik hoop dat, als er een tijd komt dat ik mijn bed niet meer zelfstandig in kan, er mensen zijn, die zich het hoofd breken over oplossingen. Dat ze mij niet elders brengen, waar de bedden lager zijn. Gelijkvloers, zeg maar, of erger.

Mentale update

Om de zoveel tijd is het weer nodig mijn psyche nader te onderzoeken. Een reguliere update zeg maar. Zonder te overdrijven kan ik zeggen dat ik een ‘die-hard’ ben op dat gebied. Vele vormen van therapie heb ik doorlopen.

Nu zit ik vorige week tegenover een jonge vrouw die mij de intake afneemt. Al die vragen, al dat vroeger, al dat gepeur, gewurm, al dat begrip!
Ik wil niet meer. Ik wil niet meer vertellen van toen en ach, en erg. Irritatie borrelt langs mijn ruggegraat omhoog.
“Ik merk dat u iets afwerends heeft, klopt dat?”, zegt de jonge psychologe. Ik erken dat ik er met gemengde gevoelens bij zit. Juist als ze mij de zoveelste begrijpende blik toewerpt wordt het me teveel. De irritatie bereikt haar hoogtepunt, in mijn lijf voel ik de woede bonzen tegen mijn huid en voordat ik er erg in heb spring ik op, grijp haar beet en schudt haar zo hard heen en weer dat haar gouden oorbelletjes afvliegen en het gouden speldje dat haar donkere haren bijeen houdt, vliegt door de lucht. Ik sleur haar aan de haren naar de spiegel en dwing haar te kijken naar het gepolijste plaatje.
“Wil jij mij vertellen hoe ik leven moet (is ook een lied)’, schreeuw ik haar toe.
“Hoe oud ben je eigenlijk gemummificeerde Freud? Hoeveel heb jij meegemaakt in je gladde leventje met studiebeurs en bul? Bull shit, moet ik zeggen. Weet jij wat er mis is met mij? JIJ.

Ze kwam snel tot de conclusie dat er mij niets aan de hand was.

Toen ik ooit jong aan therapie begon zat er tegenover mij een oudere vrouw. Een MOEDER die mij in haar schoot welkom heette. Die mij geruststellend zei dat alles, alles goed zou komen.
Nu, op mijn 51ste is het moeilijk, dat begrijp ik ook wel, een oudere vrouw te vinden zonder ze uit het verzorgingshuis te halen. Maar toch!
Een wijze vrouw, een oudere dame die mij zegt dat alles, alles goedkomt. En dat dat goed is.

Babyblues

ogen die nauwelijks licht kunnen verdragen
laat staan al die vragen van hoe gaat het nu
een knuistje, een vuistje, een zoekende mond naar houvast.
De grimas, een lach of een schreeuw, niemand weet veel
een mama een papa een vragende blik
doen we het goed, wat denk je, doen we het goed?
Geluidjes, een pinkje, een wonder op zich
zo compleet in zijn kleinheid, de fijnheid, het licht
wat moet het toch veel zijn geboren te worden
de bescherming van moeder ineens andersom
van binnen naar buiten
van donker naar licht
van kabbelend leven
naar ogen, gezicht.

Voor Pam

Ik heb Louk leren kennen tijdens een schrijfcursus. Zat ze samen met Irene aan een tafeltje en keek mij over haar brilletje onderzoekend aan. Meestal kan ik mensen aardig inschatten maar bij Louk had ik zoiets van de kat uit de boom kijken. Tot ze haar verhaal voorlas. Wat een humor en zelfspot, wat een liefde en leed. Wat een mooi mens!

Later leerde ik haar beter kennen en in mijn leven heb ik nooit meer iemand ontmoet die zo belangeloos in het leven stond. Louk met haar ziekte, haar pijn, haar wil om verder te gaan. Ze was er altijd voor hen die haar dierbaar waren en dat waren er veel.  Met een lief woord, een bosje tulpen in mijn brievenbus (echt waar), een cadeautje via internet besteld bij een bedrijf waar ik het bestaan nog niet eens van vermoedde.

Louk met haar verhalen over familie, haar kleinkinderen. Want wat was zij gek van haar kleinkinderen!

Louk heeft mij een groot cadeau gegeven en elke dag is zij in mijn gedachte, omdat ik met een groot cadeau samen mag leven. Dankbaarheid is te klein om onder woorden te brengen wat ik voel. Er hangt een blauwe vlinder aan onze schutting. Die vlinder hoort bij Louk en hoort bij ons. Zo zal het altijd zijn.

Vandaag is het twee jaar geleden dat Louk is gestorven. Maar in mij is ze meer levend dan ooit. Door de vriendschap met jou wordt dat nog eens extra versterkt.

Scoren

Alleen voor de keeper
alleen voor de keeper!
ik ga scoren
het publiek
het gejuich
ga ik links, ga ik rechts?
over de keeper?
door de benen?
ik ga scoren
ik ga er langs
kut. De keeper.

(nog) een half jaar

Vandaag is het precies een half jaar geleden dat ik hier op mijn weblog schreef:
Vandaag is het, op de kop af, 1 jaar dat wij nog niet getrouwd zijn.

Het duurde even voordat iedereen het doorhad maar a la..
Vanmorgen zeg ik tegen Vriendin: “Weet je dat het nu nog precies een half jaar is voordat we gaan trouwen”.
“Jeetje”, zegt ze’ “hoe lang geleden is het niet dat je dat op je weblog schreef?”
“duh…Een half jaar”?

Ik houd mijn hart vast

Vanmorgen in de tram op een halte vlak voor mijn eindhalte. De tram stopt, passagiers stappen in. Een jongen rent de trap af en juist als hij in wil stappen, sluiten de deuren.
Hij kijkt even verbaasd naar binnen en probeert dan via de knop de deur te openen. Dat lukt niet. Hij werpt een blik richting chauffeur die hem niet ziet.
Maar ik zie hem wel. En met mij nog vijftien anderen. Minstens. En niemand doet zijn mond open. Een kleine moeite zou het zijn om te roepen: “chauffeur, er staat nog iemand te wachten”.

Ik doe het niet. Ik zeg niets. Ineens bang om in die stille tram mijn stem te laten horen. Om ineens iemand te zijn waar ik niemand wil zijn. Ik schaam me.
Ik houd mijn hart vast voor andere situaties. Waar het nog moeilijker zal zijn om te spreken, nog bedreigender, nog meer nodig. Wat doe ik dan?

Mijn moeder (1)

Ongeveer een jaar geleden werd mijn moeder opgenomen in een verpleeghuis. Daarvoor waren er al ellendige weken voor haar geweest waarin ze haar bed niet meer in of uit kon.
Ze bleek plots haar bekken gebroken en, kregen we te horen, een chronische vorm van leukemie was geconstateerd. Maar, zei de jonge arts, mensen worden honderd met deze vorm.
Mijn moeder deelde in het verpleeghuis de kamer met een man. Mijn moeder vond het niet erg en de man al helemaal niet. Hij flirtte openlijk met haar. Mijn moeder vond het wel leuk.
“Ach, Dorie”, zei hij, “waarom ontmoeten we elkaar nu pas, nu we amper nog kunnen lopen, laat staan…”, hij grinnikte.

Het verpleeghuis deed mijn moeder goed. We waren ook verrast door haar instemming met de verpleeghuisopname maar zij besefte heel goed dat het zo niet langer kon. En, ze kon weer terug naar huis.
Ze knapte heel langzaam op. Keek uit naar ons bezoek en wachtte ons soms al op bij de voordeur. Trakteerde op kroketten en gebak. Ze at voor haar doen, lekker mee.

Waarom ik dit nu vertel? Gewoon, omdat het een jaar geleden is.
Dat zij er nog was.