Boezemvriendinnen

We waren twaalf. Boezemvriendinnen. Ria, Els en ik. “Dat kan niet”, zei jij altijd. “Drie is teveel, dat wordt huilen”. Je had gelijk. Het was of Ria en Els tegen mij of ik met Els tegen Ria. Alle denkbare combinaties waren mogelijk. We hielden van elkaar, we haatten elkaar. Voor alles was een moment.
Wij waren zogenaamde jongensmeiden. Begrijp me niet verkeerd, we waren geen meiden waar de jongens óp waren, we waren halve jongens. Alle drie. We konden voetballen als de besten, hadden grote bekken, stoere koppen, maar daarbinnen, in die strakke omhulsels, zaten onze gekwetste meisjeszielen. Want reken maar dat we gekwetst waren want wie niet heel mooi was moest sterk zijn (of zielig maar dat waren we natuurlijk niet).

Onze rivaliteit speelde zich af rond het schoolplein waar we afspraken om na schooltijd onze meningsverschillen uit te vechten. Als boksers stonden we tegenover elkaar met gebalde meisjesvuisten en opgekropte woede en probeerden elkaar pijn te doen. Soms lukte dat, soms niet. Nog voel ik de tranen over mijn verhitte wangen lopen na zo’n gevecht. Hoe alleen kan je zijn als anderen samen zijn? Nonchalant weglopen was een kunst die ik me eigen had gemaakt.

We waren ook altijd ineens weer ‘goed’. Ik herinner me geen praatsessies of verontschuldigingen. We voelden instinctief aan wanneer het lang genoeg had geduurd. Voorzichtig toverden we een glimlach maar op zo’n manier dat je altijd nog terug kon naar een chagrijnige grimas. We hoefden niets uit te leggen. Als geen ander kenden we de pijn en het verdriet want er zat er altijd wel één in de rol van verschoppeling.

Toen de laatste schooldag. Onze laatste fietstocht op weg naar huis en daarna? Op de Melistokelaan, vlak bij mijn huis, namen we afscheid van elkaar. Aan omhelzen deden we niet, we pakten elkaars handen vast en beten op de lippen. Terwijl ik ze weg zag fietsen voelde ik iets dat ik later beter zou leren kennen. Een wee gevoel, pijn zonder scherpe steken maar diep en loodzwaar alsof mijn hart één grote schaafwond was.

Nonsens

Hoorde ik vandaag iemand zeggen: ‘wat een nonsens’.
Zoals vaak blijf ik dan over zo’n woord nadenken. Waar komt het vandaan, het laat zich natuurlijk wel raden. Maar even opgezocht:

Nonsens
onzin, wartaal, zottenklap. Van het Franse ‘nonsens’ of het Engelse ‘nonsense’, oorspronkelijk uit het Latijn ‘non’ (niet) + ‘sensus'(waarneming, gevoel, gedachte, verstand, betekenis)

Ik dacht ook nog: no sense. Maar goed, allemaal nonsens.

Vrouw in tram (1)

Soms zie je iemand die je blik gevangen houdt. Door een beweging, een oogopslag, een zenuwtrek.
Ik ga met de tram naar het werk en minimaal 1 keer in de week stapt deze vrouw in. Ze is rond de veertig, heeft kort zwart haar. Ze is klein, gespierd, gehaast. Ze draagt een rok tot net boven de knieën, daaronder schoenen met hoge hakjes. Ze heeft een attaché koffertje bij zich dat ze in het gangpad zet, naast de stoel waar ze zit. Ze lijkt een tikkende tijdbom. Ze is geagiteerd, ze mompelt wat, haar ogen schieten van links naar rechts, haar bewegingen zijn gehaast, schokkerig.

We stappen bij dezelfde halte uit. Ik neem de roltrap(pen), zij vliegt de trap op. Haar voeten wijzen naar buiten, haar kuiten zijn zo gespierd dat ik een enorme sportvrouw vermoedt, iemand die voor 200 km fietsen haar hand niet omdraait. Ze rent de treden op alsof ze achterna gezeten worden. Ik huppel mee op de roltrap en probeer als we boven zijn te ontdekken waar ze naar toe gaat. Ze rent weer. Moet ze een bus halen, een tram? Ik neem me voor haar een keer achterna te lopen, het is bezopen, ik weet het maar ik moet weten waar ze werkt. Is ze hoofd van een school, een drilinstructeur bij de marine, wat heeft ze in haar koffertje?

Of speelt ze dat ze naar haar werk gaat? Speelt ze met mij?

Ik zal er niet achter komen vrees ik. Dus ik fantaseer verder. Heerlijk al die medepassagiers op een druilerige dinsdagochtend.

Gaat de dag tenminste een beetje snel

Ik hoor het de tramchauffeur zeggen en ik stop met lezen. “Als het druk is, gaat de dag tenminste een beetje snel”.

Dat snap ik niet. Als je buschauffeur bent zou ik het begrijpen. Als het druk is moet je uitwijken, remmen, gas geven. Dan heb je meer handelingen. Dan gaat de dag wat sneller. Of de mevrouw achter de kassa, dan moet ze lekker veel afrekenen, praatje hier, praatje daar, gaat de dag een beetje snel.
Maar hoe kan een dag sneller gaan in een tram? Waar je binnen de rails van geleidelijkheid rijdt? Waar je automatisch naar de volgende halte geleid wordt, waar je exact op tijd, om 7.14 uur bij een halte stopt. Waar het niet uitmaakt of er 3 of 33 mensen instappen. Niets gaat sneller. Zeker een dag niet. Dat leek me nu altijd het relaxte van tram besturen: je kan niet veel, behalve de uitgestippelde lijnen volgen. Af en toe je belletje rinkelen en vlak voordat je bij de eindhalte bent, alvast je spullen verzamelen zodat je direct uit kan stappen. Moet je eens proberen als je een bus bestuurt!

Liv Marilou

Geboren. Dochter van.

Dankbaar dat ik op afstand betrokken mag zijn, ben ik ontroerd en blij.
Is het leven ineens weer mooi in haar puurste vorm.
In tien vingertjes en teentjes.
In de oerkracht van de vrouw.
In het worstelen om boven te komen.
Wordt een hele grote wereld teruggebracht naar een intimiteit van mensen samen.
In een ademteug, in een schreeuw.
In een nieuw leven, een welkom leven.
Zijn er oma’s en opa’s bijgekomen, een zusje, een nichtje, een nieuw begin.

Pauze

Gisteravond tijdens een etentje met onze homovrienden komen we op ‘coming out’. Ieder van ons heeft zijn/haar eigen verhaal en heeft daar stappen in moeten nemen, consequenties moeten aanvaarden om uiteindelijk, daar zijn we het mee eens, gelukkig te zijn zoals we zijn.
Een van de twee vrienden vertelt een verhaal over zijn werk. Hij is directeur van een gemengde basisschool.

Die week komen er een paar meisjes, giechelend, naar hem toe.
“Hai mees”.
“Hai meiden, zeg het eens”.
“Mees”, zegt een Marokkaans meisje, “bent u getrouwd”?
Mees even stil. Wat willen ze hiermee, wat wil hij hiermee?
“Ja, ik ben getrouwd,” zegt hij naar waarheid. De meiden giechelen nog meer.
“Met een vrouw?” Nu komen ze niet meer bij.
“Nee, ik ben met een man getrouwd. Wat vinden jullie daarvan?”
“Dat wisten we wel”, zegt de grootste, “daarom zijn Soekri en Dabhia van school gehaald.”

De bel gaat, de meisjes zwaaien gedag en rennen naar binnen.

Hij blijft nog even staan en laat het tot zich doordringen. Van school gehaald omdat hij homo is. Er was dat vage vermoeden aan het begin van het schooljaar waar hij liever niet bij stil had gestaan.

Het drukt.
Iets vermoeden heeft meer hoop in zich dan iets zeker weten.

Als de blaadjes vallen

Als de blaadjes vallen wordt het vanzelf een keer tijd om je stoepje te vegen. Laat ik het nu eens helemaal letterlijk bedoelen. Voor mij geven de buren vaak het sein. Zodra ik mijn straat inloop valt me op hoe keurig schoongeveegd de stoepen aan de voorkant zijn. Behalve bij ons.
Dus gisteren stoffer en blik gepakt en zeker een half uur bezig geweest om alle bladeren te verzamelen. Een halve container vol, constateerde ik trots.
“Heb je het gezien”, vraag ik Vriendin als ze thuiskomt. Dat niet, zegt ze, maar ze vindt het wel heel goed.

Het stormt vandaag behoorlijk. Als ik thuiskom wordt ik verwelkomd door een berg bladeren voor mijn deur. Alsof ze hebben afgesproken om bij nr 21 te verzamelen. Zo veel.
Een blik omhoog leert me dat het hier niet bij zal blijven, er hangen er nog genoeg aan de bomen. Ik rijd de container naar de stoep en keer hem om. Hopla, alles weer terug naar waar het vandaan komt. Als blaadjes vallen, wie ben ik dan om ze een vrije vlucht te beletten?

Mooi

Vandaag las ik in een roman: je moet worden wie je bent.

Ik vind dat prachtig.
Je wordt geboren zoals je bent en dan worden er allerlei mensen op je losgelaten. De één noemt zich moeder, de ander vader, dan is er een juf, een buurman, een vriend, een geliefde. Je raakt steeds verder af van wie je bent omdat je wilt worden wie jij denkt dat zij denken dat je bent. Triest genoeg worden sommigen pas weer wie ze zijn, als ze dementerend in een verpleegtehuis belanden.
Maar er is een moment in je leven dat je de keuze kan maken. Eigenlijk kan dat elke dag. Gewoon zijn wie je bent. Punt. Met je leuke dingen maar ook met alles wat misschien niet hoort of mooi is maar wel echt.

Voor wie ik dit schrijf? Voor mezelf? Kom op zeg. Ik ben zo wie ik ben. Toch?

Opvoeden

Toen ik met Vriendin en Hond ging samenwonen was er een afspraak. Hoe lief en geinig ik Hond ook vind, hij mag niet op bed. Overal in huis liggen kussens waar mijnheer zich kan strekken en terugtrekken maar het bed is ons terrein, niet de zijne.

Maar als ik boven kom en Hond ligt op bed, opgerold, met een diepe ademhaling, zijn kopje tussen zijn voorpootjes en als dan heel slaperig een oogje opengaat, dan smelt ik. Tot nu toe hielp het als ik aanstalten maakte om het bed in te stappen. Hij maakte dan dat hij wegkwam. Tot het moment dat hij bleef liggen en hij, enigszins ontstemd, ruimte maakte voor mij. Ternauwernood kon ik er nog naast, als ik iets schuin ga liggen, geen probleem.

Inmiddels zijn we maanden verder en vannacht werd ik wakker van zijn krabbende pootje aan het dekbed dat op de grond hangt. Hij wil er bij maar durft de sprong niet aan. Hij jankt heel zielig. Liefdevol en stapelgek sla ik het dekbed terug, doe het licht aan en zeg: “kom maar lieverd”.

Vriendin doet ook een oogje open. “Consequent”, mompelt ze.
“Ja”, zeg ik. “Consequent inconsequent”.