Klein meisje

Op het eerste bankje in de tram, zit een klein meisje. Een fleurige tas op haar schoot. Magere beentjes wiebelen heen en weer. Haar moeder en zusje zitten op het bankje naast haar. Ik mag naast het meisje zitten. Ze wijst op de lege plek.

Ze vertelt over haar tas. Dat door de regen de kleuren op haar tas vlekken zijn geworden. Ik pak mijn boek en begin te lezen.
‘Ik heb ook twee boeken in mijn tas’. Ze opent haar tas en laat ze mij zien. Dikke boeken. Ze pakt er een uit en gaat lezen. Ik lees ook weer verder.

Aapje

Ze tikt me aan en zegt. ‘Weet je wat ik altijd droom’? Ze wijst naar de handgrepen waaraan passagiers die in de tram moeten staan, zich vast kunnen houden. ‘Ik droom heel vaak dat ik als een aapje door de tram slinger, van handgreep naar handgreep’. Ze kijkt me aan met een intense blik.
‘Houd je van klimmen?’ vraag ik. Ze knikt en verzucht ‘dat is het liefste dat ik het doe’.

Ze buigt zich voorover en fluistert in mijn oor. ‘Mijn moeder mag het niet weten maar ik klim ook altijd in mijn kamer. Dan hang ik aan de planken in de kast of doe net alsof ik ergens niet bij kan, dat het alleen maar klimmend kan.’ Ze zucht heel diep. ‘Dat vind ik zoooooo fijn’.

Telefoon

Haar moeders telefoon gaat. ‘Papa’, zegt ze tegen haar moeder. ‘Weet je wat we vanavond eten?’ Ik schud mijn hoofd.
‘Knoflooksaus die mijn vader heeft gemaakt. Ik lustte het eerst niet maar nu is het het lekkerste dat bestaat’. Ik begrijp dat wel.

De tramchauffeur roept om dat we er allemaal uit moeten. Een ongeluk waardoor de tram niet verder kan rijden. Voor we het weten staan we in de stromende regen buiten. Ik besluit verder te lopen en zwaai naar het meisje. Niet eens boos dat de tram niet verder gaat maar teleurgesteld dat ons gesprek zo plots werd afgebroken.

We zwaaien naar elkaar.

Laat een reactie achter