Kinderpraat op hoog niveau

Na onze lunchstop onderweg naar ons familieweekend wilden N en N, de kinderen van mijn neef, met ons mee in de auto. Niet één enkele keer heb ik gedacht dat het komt omdat wij zo leuk zijn. Ami, onze hond, in de auto, gaf de doorslag.

Het werd het leukste half uurtje ooit. De gesprekken die zij samen hadden en met ons, gingen van hilarisch tot ontroerend. En ik weet dat het ook een momentopname is, dat wij ze nooit achter het behang hoeven te plakken, maar toch: een hoopvolle blik op de toekomst.

N, het meisje van negen, praat over vriendjes en vriendinnetjes. Dat ze eigenlijk maar één echte vriendin heeft. Dat die haar echt begrijpt. Ze praat ook over een jongetje die ADHD heeft, die zij weer heel goed begrijpt. En dat hij ook heeft gezegd dat hij dat fijn vindt. N: ‘Dat is fijn dat ik dat weet want anders blijf ik ook maar zitten kijken. Nu weet ik dat hij het fijn vindt als ik voor hem opkom, dan kan ik wat doen’.

Daar zijn zusjes voor

Ook heeft ze het over haar broertje N. Dat hij haar altijd opzoekt als hij gepest wordt of pijn heeft. Dat ze dat wel prima vindt maar ook denkt dat hij eens een keer zelf iets moet oplossen en niet altijd naar haar moet komen. Broertje N is het met haar eens maar zegt hij: ‘daar zijn zusjes toch voor’. Als zij hem verwijt dat hij nooit voor haar opkomt als er iets is legt hij uit waarom: ‘daar kan ik niets aan doen, ik word altijd meegetrokken door vriendjes’.
Als ik de ernstige bekkies zie, smelt ik bijna. De wijze woorden en zinnen en levenslessen die ze blijkbaar al ergens hebben opgeslagen.

Pedagogisch onverantwoord

We worden gesneden door een auto en ik zeg een lelijk woord van drie letters. De kinderen slaan met een grote lach de handen voor hun mond. Ik probeer het nog goed te maken, dat ik ‘lol’ zei maar ze trappen er niet in. Maar zegt het jongetje: ‘Het is minder erg dan die erge ziekte. Dat mag je echt niet zeggen’.

Door het glazen dak van de auto kan ik ze gelukkig afleiden door in de wolken krokodillen te ontdekken. We turen omhoog tot we er draaierig van worden. N kan mooi tekenen. Ze weet dat ik schrijf. We hebben het over een familieboek maken, samen, hoe leuk dat zou zijn.

Haar broertje zegt dat als zijn zusje groot genoeg is om samen met mij te werken aan een boek, ik dan misschien ook wel oma ben. Wie zal het zeggen?
Maar zijn zus ziet het anders. ‘Daar hoeven we toch niet op te wachten. Ik kan nu ook heel leuk tekenen.’

En zo is het.

 

 

1 reactie

Neeltje 3 mei 2018 at 11:33

Heerlijk, dit soort gesprekken.

Reply

Laat een reactie achter