Ik zwaai tegenwoordig

Sinds ik niet meer werkzaam ben bij de gemeente, voor mezelf ben begonnen, is mijn tijdschema veranderd. Natuurlijk. De wekker gaat niet meer om 05.15 uur en dat is fijn. Ik sta op als Vriendin ook van plan is op te staan met dat verschil dat ik echt opsta.

Dat zijn zo van die dingen die ik ineens meemaak. Rituelen die ik niet kende.
Vriendin maakt zich klaar voor een ‘buitenwerkdag’ en ik begin alvast aan mijn ‘binnenwerkdag’. Boven in mijn kamer tik ik al druk mijn dingetjes.

Dag
Dan komt Vriendin mij gedag zeggen. Een zoen, een groet, een lach. Sinds enige tijd sta ik dan iets later op om door het raam naar haar te kijken. Zij pakt haar fiets, kijkt omhoog en we zwaaien naar elkaar. Dat is eigenlijk wel leuk, dat zwaaien. Hoewel van een enorme tuttigheid en truttigheid … ik geniet er van.

Moeder
Mijn moeder zwaaide ons altijd uit. Toen we als kind naar school gingen, toen we later, volwassen, vertrokken als we op visite waren geweest. Altijd stond zij daar, zwaaiend bij de deur of achter het raam. Ook toen ze ziek was, zwaaide zij. Hoe lief en attent dat was, besef ik nu pas.

En nu zwaaien we zelf, als een moderne versie van Jut en Jul, naar elkaar. Het plaatje van de toch wat treurige vrouw, komt niet overeen met onze gezichtsuitdrukkingen. Het is een vrolijke ‘dag’. Het is een blijde groet met eigenlijk bij het weggaan al de blijde verwachting van elkaar terugzien.

Dan maar tuttig.

 

Laat een reactie achter