Zo lachen, zo spelen. Zo jong nog, een keer.

Van de week op een feest werd er ‘gedrumd’. Gewoon voor de lol. Ik sta mee te bewegen op het ritme van de djembé en denk: dat wil ik ook.

Of er staat ergens zo’n heel groot drumstel. Met stokjes, met trommels in alle maten.
Of er is een nieuwe rage voor kinderen: de fidget spinner.
Of ik zie een jongetje met een radiografisch bestuurbare auto.
Of ik zie iemand met een diabolo.
Een meisje dat kunstjes uitvoert met een jojo.
Een man vissend aan de waterkant.
Een vrouw speelt piano.
Iemand staat op het toneel.
Er wordt gevoetbald op het plein.

En ik denk: dat wil ik ook.

Ik zou zo weer eens een keertje willen stoepranden met mijn zusje, of bordje tik en dan als een malle de straat over rennen.

Eigenlijk wil ik altijd nog spelen. Zonder doel, zonder nut behalve mijn eigen plezier. Maar zeg nu eerlijk: als je mij zou zien voor jouw huis op straat met een radiografisch bestuurbare auto… wat denk je dan?

Slappe lach
Van de week staan I. en ik in een lift. Zij neemt net een hapje van haar snicker. Een grote hap. Haar wang puilt uit. En het is zo’n komisch gezicht. Deze dame van mijn leeftijd met een snoepwang van een kind. Ik schiet in de lach, zij ook. Zo erg lachen we dat we de slappe lach krijgen. In een lift waar kinderen ons met grote ogen aankijken. Waar I. worstelt met het stukje snicker dat nog steeds in haar wang verblijft, want als je lacht kun je niet eten, laat staan slikken.

Zo lachen, zo spelen. Zo jong nog, een keer.

Laat een reactie achter