De ene werklui is de ander niet

Er zijn heel wat mannen over de vloer geweest de afgelopen weken. Leuke mannen, gezellige mannen. Ik ging bijna denken dat dit soort mannen altijd vrolijke opgeruimde jongens waren. Maar toen was de keuken nog niet gemonteerd.

Twee zwijgzame types komen binnen. Sinds kort weet ik dat je niet alleen binnensmonds kan praten maar er ook zo uit kan zien. De ene, een studentikoos typ met lang haar, gaat gelijk aan de slag. De ander, de binnensmondse, zegt iets maar wat? Ik vraag of ze koffie willen. ‘Nee, dank u’. Ik vraag of ze enig idee hebben hoe lang het gaat duren. ‘Nee, moeilijk’.

Ze zwijgen in alle toonaarden, ook tegen elkaar. Mijn ongemak groeit met de minuut en even later loop ik net zo zwijgend door de hol klinkende woonkamer. ‘Dan ga ik maar’, zeg ik stilletjes. ‘Ja’, zeggen de mannen. Ze beloven te bellen als ze bijna klaar zijn.

Ze bellen niet

Uiteindelijk bel ik zelf. Ja, ze zijn bijna klaar. Ja, ik kan komen.
Ik pik Vriendin op en verwacht dat zij met haar betere sociale vermogens de mannen wel los kan krijgen. Niets is minder waar. In het huis is het net zo stil als die ochtend. De mannen kijken niet op of om. Ook niet als we ze complimenteren met de keuken die er prachtig uitziet.

Een van de mannen pakt een papier een trekt lades en kastjes open om te laten zien hoe en dat het werkt. Hij trekt de deur van de vriezer open. ‘Er ontbreekt een stopcontact’, mompelt hij, ‘dus die doet het niet’. Hij opent de koelkast. Ik trek hem aan zijn mouw. ‘Wat bedoel je met ‘die doet het niet’
Hij pakt zijn schroevendraaier en demonteert een kastje en laat mij een leiding? zien. ‘Kijk, die is leeg’. Ik geloof hem wel, dat is het probleem niet maar waarom ontbreekt er een stopcontact? Hij haalt zijn schouders op. ‘Dat zijn ze vergeten’. Wie zijn ‘ze’? Hoort ‘ze’ bij hen of is ‘ze’ de aannemer. Hij kijkt mij glazig aan. ‘Ik schrijf het op de bon’, zegt hij.

Troep

De kamer is bezaaid met dozen, houten planken, piepschuim en plastic. ‘Jullie nemen dat toch wel mee’. Het was bedoeld als een retorische vraag maar wie vraagt kan een antwoord verwachten. ‘Nee, dat doen we niet’. De jongere man zegt dat hij wel even gaat bellen en vragen of ze het toch niet mee kunnen nemen. Als hij terugkomt, zwijgt hij. ‘En’, vraag ik. ‘Nee’, zegt hij, we nemen het niet mee.

Ze geven een hand en sjokken zwijgend naar de gang. De deur gaat dicht. Vriendin en ik springen op het aanrecht en dansen ons vreugdedansje want de keuken is mooi. En we moeten dat rare vage gevoel kwijt. Dat gevoel dat stilte soms heel fijn kan zijn maar soms ook een oorverdovende impact kan hebben. Nee, dan de verhuizers. Morgen meer daarover.

Laat een reactie achter