CategorieBlogs

Na Thierry’s monoloog

Forum voor Democratie is de grootst partij geworden (op provinciaal niveau, goddank) van Nederland. Hoe vaak zal Thierry Baudet in de spiegel hebben gekeken? Met zijn armen gespreid was hij te groot voor de spiegel.

Nog nooit had ik zoveel tegenzin om te gaan stemmen. Het stemmetje in mij ‘dan ga je toch niet’ werd luider en luider om uiteindelijk rond 19.00 uur gisteravond tot zwijgen te worden gebracht. Zelfs op de waterschappen heb ik gestemd. Vrouw. Meer weet ik eerlijk gezegd niet. Voor het eerst in mijn leven ook op een andere partij gestemd, een kleine partij die niet schreeuwt maar vertrouwen wekt. Iets met dieren.

De uil van Minerva

Thierry Baudet heeft ook iets met dieren, met uilen om precies te zijn. Ik weet niet hoeveel mensen zijn speech hebben gehoord maar meer nog vraag ik me hoeveel mensen zijn speech hebben begrepen. Het was een monoloog, gerepeteerd voor dezelfde spiegel die toen nog kleiner was. Geschreven onder de bedwelming van lavendelvelden uit een zakje. De mede-kompanen in de zaal vonden het allemaal prachtig. Hiddema viel bijna flauw van alle emoties die hij plotseling gewaar werd en mevrouw Nanninga kon het bijna niet geloven.

De man

Ik heb zojuist de site bekeken van Forum van Democratie en die ziet er gelikt uit zeg ik zonder sarcasme. Net zo gelikt als de man zelf. En zoals de man bij mij vooral ergernis oproept doet hij bij anderen precies het tegenovergestelde. Is het niet wat hij zegt waardoor mensen bij hem willen horen maar de manier waarop hij dingen zegt. De bravoure, de arrogantie, de minachting voor collega’s, voor wetenschap. En hij heeft zich de kunst van vertellen eigen gemaakt.
Wat is mis zijn menselijke eigenschappen als warmte en empathie, maar ach, wat betekent dat nu helemaal?

Hoe het nu verder moet? Wie zal het zeggen. Er is genoeg redelijkheid over, denk ik toch optimistisch. Forum van Democratie zal zich moeten bewijzen in zijn eigen kartel. En Baudet? Hij staaroogt als een uil in de zon.

Het tij keren

Gisteravond laat keek ik het journaal. Bijna een ‘normaal’ journaal met aanslagen, demonstraties, verkiezingen, protesten, hongersnood, dictators, neerstortende vliegtuigen. Een moedeloos journaal van een moedeloze wereld.

Je zou er zelf moedeloos van worden. Zomaar een greep:
Een vader steekt zijn eigen dochtertje dood
Een gek in Nieuw Zeeland vermoordt vijftig mensen, ontwricht een dorp, een land, een wereld.
Vijftig lege kisten vormen het troosteloze decor van een afscheid dat nooit genomen had moeten worden.
Een boeing wordt onder druk van concurrentie eerder vrijgegeven aan de markt dan zou mogen. Inmiddels zijn er twee neergestort.
Er is opnieuw chroom-6 ontdekt, nu in de kleedkamer van de luchtmachtbasis.
Protesten in de Balkan. Gele hesjes, fake news.
Kleine mannen en vrouwen ontpoppen zich tot dictators om hun eigen wereld te redden.

En dan hebben we nog de Brexit en de Baudet.
Baudet, die mooie, gladde jongen met woorden die kolkend, kotsend en neerbuigend over ons heen worden gestort. Mensen zijn er klaar voor. Mensen die iets anders willen. Wat dan, lijkt niet zo belangrijk, als het maar anders is en nieuw.
Al die ontevreden mensen. De lelijkheid op social media. De verongelijktheid en boosheid.

Te koop

Ik bied mijn computer te koop aan op Marktplaats. Een jongen noemt een bedrag, ik antwoord netjes met een tussenbod en met vriendelijke groetjes. Zijn antwoord: “stik”.
Zo’n klein iets laat mij verbouwereerd achter. Ik zou met hem willen praten. Waarom? En dit is nog niets bij de walgelijke reacties op vreselijke incidenten.

Lichtpuntjes

En dan zie ik een man, een moslim, zijn dank uitspreken in Nieuw Zeeland. Hij bedankt de mensen voor hun steun en warmte. En spreekt zalvende woorden over samenzijn en verbondenheid. Een jongen uit Nieuw Zeeland brengt bloemen bij een moskee.
Dan moet ik eindelijk huilen. Ik huil allang niet meer om de ellende om ons heen maar ik huil om de liefde. Zoveel liefde dat verloren is gegaan en niet meer gegeven kan worden, niet meer ontvangen, niet meer gedeeld.

Maar gelukkig is er ook zoveel liefde nog over. In jou en in mij. Liefde die we niet meer durven te geven of waar we gewoon even geen tijd voor nemen. Als we het zwart-wit toch eens wat kleur konden geven, wat tinten verscheidenheid als verrijking zouden ervaren. Eén lichtpuntje is genoeg om het beeld van een pikzwarte wereld te veranderen.

En misschien is dit weer te soft gezeik maar laat mij dan maar zeiken want ik blijf toch gewoon geloven in het goede.



Toen onze mop een moppie was

Ami. Geen straat konden we over zonder ‘oh’s en ah’s’ over onze viervoeter. Ze werd liefkozend ‘vosje’ genoemd, kinderen wilden haar meenemen, volwassen mannen smolten als sneeuw voor de zon.


En wij smolten met hen want ze was van ons, hoorde bij ons. Maar sinds wij in de Drie Hofdames wonen, is zij zich ook gaan gedragen als hofdame.
In ons vorige huis, een rijtjeswoning in een rustige straat, was zij ook al een diva, geen ontkennen aan. Ze voelde zich veilig. Gek op mensen en andere honden, ach, ze negeerde ze gewoon, trok nog net haar neusje niet op.
Maar in het appartementencomplex komen we een andere kant van haar tegen. Niet alleen denkt zij eigenaar te zijn van het appartement, maar is ze het ook van het hele gebouw, erger, van de hele wijk.

Buurhondje

De eerste kennismaking met het directe buurhondje was niet fijn. Toen wij de deur opende naar de hal stond ze oog in oog met de ‘indringer’ en daar was ze niet van gediend. Ze gromde, trok naar lippen op, gedroeg zich kortom niet als de nieuwe buurvrouw die een goede indruk wil maken. Wij kregen haar ook niet rustig, integendeel, de leeuw in haar was los.

De volgende ontmoeting met een ander buurhondje was toen we uit de lift stapten. Stond daar een roodharige dame blij te wachten om naar binnen te gaan, onze dramaqueen liet dat niet toe. ‘Mijn lift’, gromde ze lelijk.

Geen blaffer

Ami is geen blaffer. Niet als de deurbel gaat of als er vreemde mannen binnenkomen. Ze kijkt, ruikt en gaat weer liggen.
Nu ziet ze vanaf het balkon mensen wandelen, kinderen spelen en ze is er niet van gediend. Ze blaft, jankt als een wolf.
Het uitlaten van een hond is leuk als de hond uitgelaten wil worden. Nu sleep ik een onwillig, koppig exemplaar met me mee. Om de twee stappen staat ze stil, kijkt links en rechts, ruikt met haar neus in de wind om vervolgens één stap te zetten, meestal terug. Zij wil de route bepalen en dat is tot nu toe nog nooit de route geweest die ik in gedachte had. Bij elke splitsing is het een gevecht om haar mijn richting op te krijgen. Het is een puber die de grenzen opzoekt en dat lukt haar aardig. Mijn grenzen. En stiekem vraag ik mezelf af waarom ze eigenlijk mijn richting moet volgen? Maar hondenboeken zijn daar duidelijk over. Laat zien dat jij de baas bent.

Binnen, als de Vrouwtjes thuis zijn, is ze weer als vanouds de allerliefste. Ligt minutenlang op haar rug te chillen, springt naast ons op de bank en vertederd ons met haar lieve ogen en likjes. En we zeggen tegen elkaar dat het wel over zal gaan. Dat ze moet wennen.

In de oude buurt waren er soms hele vervelende honden. Ik ging de baasjes ook heel vervelend vinden. Zo werkt dat. En dat stemt mij ongerust.

Puntjes op de i

Na een verhuizing naar een nieuwbouwhuis of -appartement blijven er altijd wat van die pietepeuterige ieniemieniedingetjes over die nog even gedaan moeten worden.

Zo hangt er in onze badkamer een grote spiegel. Het element dat de spiegel verwarmt en zorgt dat het niet beslagen raakt maakt een vierkant van ongeveer zestig centimeter ‘vrij’. De spiegel hangt hoog. Om in het vierkant te geraken moeten we dan ook springen. De aanblik die we dan krijgen is van korte duur. Als ik meld dat ik het toch wat eigenaardig vind dat de spiegel op die hoogte is bevestigd haalt de badkamermijnheer de spiegel van de muur. Op de tegels staat met zwarte stift geschreven: 2 meter 10. De monteur is verbaasd. Die hoogte komt niet overeen met de maten in de offerte. Waarom is dat gedaan en hoe dan?

Natuurlijk is er een oplossing. Twee tegels eruit, nieuwe er in en spiegel lager hangen. Het wordt allemaal geregeld.

Binnenkomen

Ondertussen is er een ander probleem omdat niemand meer het gebouw op de bedoelde wijze binnen kan komen. De deur gaat niet open. De bel beneden doet het ook niet. Dat resulteert meerdere malen in een roepen van mij door de videofoon terwijl er boven op de deur geklopt wordt. Een idiote indruk maak ik zo als ik al schreeuwend de deur open. Omdat ik ook pakketjes verwacht hang ik beneden een briefje op, dat ze moeten bellen en vooral niet aanbellen en vertrekken met ‘de bezorger trof niemand thuis’.

Beetje stoffig

Natuurlijk weet ik ook wel dat je tegels niet als stickers van een muur verwijderd. De man haalt alle spullen uit de badkamer, legt handdoeken voor de deur en mompelt ‘stof’. Het kwartje valt. Ik hoor het slijpen van de slijptol. Als de man later de gang instapt zie ik een mist van stofdeeltjes door de badkamer dansen. Ik word gebeld en neem de lift naar beneden. Pakketje 1 is gearriveerd. Pakketje 2 is belangrijker. Levertijd: voor einde van de dag. Dat is lekker duidelijk. Ami moet toch plassen. Ik trek haar met gepaste haast door de storm en na de poep en plas snel ik naar het huis.

De badkamerman lacht me toe. De twee tegels die ik had klaargelegd zijn weliswaar wit maar niet het wit dat het zou moeten zijn. Ze zijn ook mat. ‘Dat hoort niet’, zegt de man, ‘je hebt glimmende’.
‘Dit zijn de dozen tegels die zijn achtergebleven in het huis’, stamel ik. Hij vertelt dat in iedere woning minstens 1 doos moet achterblijven met tegels voor eventuele vervangingen. Waarschijnlijk hebben de tegelzetters op goed geluk overal een doos neergelegd. We pikken de juiste tegels bij de buren.

Vloeren leggen

Omdat de vloerenlegger te weinig vloer had besteld moeten er in het rommelhok nog wat planken worden gelegd. Het is een rommelhok. Daarvoor wordt het ook gebruikt. Twee uur ben ik bezig om alle rommel uit het hok te halen voor twee lullige plankjes.
De badkamermijnheer gaat weg. ‘Morgen komen we de spiegel weer ophangen’, zwaait hij. ‘Houdoe’. Hij komt uit Houdoeland. Als ik de deur van de badkamer open zie ik door een waas onze schoongemaakte badkamer. De witte mist zit overal. Met frisse tegenzin vul ik mijn emmertje. Er wordt gebeld. Pakketje twee.

Moedeloos staar ik naar de twee pakketten waar een gewoon mens op een gewone dag heel blij van zou worden. Maar er moeten dingen in elkaar worden gezet. Dat lukt me alleen als ik uitgerust, goed gemutst en voorbereid op tegenslag aan de gang kan gaan.

Het is beter even te wachten.

Twee jongens in de bus

Hier kijkt niemand echt van op. Een stelletje. In het bos, op het strand, in het park, in de bus. Zij haar hoofd op zijn schouder. Gewoon een lief plaatje.

Zaterdagavond laat nemen wij de bus terug naar onze nieuwe woonplaats. Op het Centraal Station komt een jongen aangerend. Hij wacht bij de deur en ik zie door het raam een andere, kleinere jongen aan komen lopen. Niet zo snel als zijn vriend omdat hij dat niet kan. Zijn gehandicapte benen werken niet mee. In zijn handen niets anders dan een boek. ‘Kluun’ lees ik op het roze omslag.

Ze ploffen neer op een bankje naast ons. Twee leuke gasten. Ze praten, lachen. De grotere leunt tegen het raam en samen kijken ze naar iets op zijn mobieltje. De kleinere jongen laat zijn hoofd hangen op de schouder van zijn vriend. Deze slaat afwezig zijn arm om de schouders van de jongen en streelt zijn wang.

Druk

Het is best druk in de bus. Er staat een grote man uit te hijgen die nog net op tijd zijn bus heeft gehaald. Mensen, terug of op weg naar iets dat gevierd moet worden in het weekend, praten met elkaar.
Niemand, niemand kijkt naar het stel op de bank. Behalve ik dan. Want het is zo’n lief tafereel. De twee jongens zitten gewoon in een bus. Ze zijn zich totaal niet bewust van die vrouw die naast hen zit met haar vriendin aan haar zijde. De vrouw die geraakt wordt door de liefde en de terloopsheid van de liefde. De onbekommerdheid omdat het allemaal goed is.

Word ik blij van liefde, nog blijer word ik van die twee mannen die niet gestoord worden door schaamteloze blikken en minderwaardige opmerkingen. Niets. Niemand. Wat een fijn land is dit toch, denk ik, om 23.30 uur in bus 22.

Never, never, neverland

Gisteravond heb ik, zoals velen, gekeken naar de documentaire over Michael Jackson, ‘Leaving Neverland’. Ik heb het drie uur volgehouden, genoeg is genoeg.

In het begin van de documentaire treft mij vooral de eenzaamheid van de man/jongen. Het blijft moeilijk om hem als man te definiëren, met het hoge, ingehouden stemmetje, zijn giecheltjes en maniertjes. De twee mannen die gevolgd worden komen op mij geloofwaardig over maar in feite doet het er niet toe of het waar is of niet want dit gebeurt gewoon om ons heen. Dat weten we in ieder geval zeker.

Mooie jongens

Wat opvalt aan de kleine jongens die worden uitverkoren is vooral de onwaarschijnlijke schoonheid en kwetsbaarheid van de jongens. Artiesten in de dop en wezenloos van de grote artiest M. Het idee dat zij belangrijk worden gevonden door Jackson is groter dan groot. Ook de moeders zijn ondersteboven en wie zou dat niet zijn. Op Twitter gaat het los over de moeders: hoe kunnen ze, hoe konden ze het niet weten, niet zien? Maar ook de moeders en vaders komen in een wereld terecht die zo onwerkelijk en bizar is dat zij bedwelmd worden door het sprookje van Neverland.

Triest

Alles is triest, niet in de laatste plaats Michael Jackson zelf. De grootheid van de man, de gekte om hem heen, de eenzaamheid. Eng vind ik hem pas echt als hij met zijn kleine engeltjesstem zalvende woorden uitspreekt over liefde en mededogen. De ingehouden gekte van een superster.

Waar de documentaire mij echt raakt is als de mannen spreken over het vervangen worden door een jonger en mooier exemplaar. Je zo verloren voelen, afgedankt, wetend dat het niet klopt maar bereid om zo weer in die wereld te stappen, misbruikt te worden. Afgewezen worden door de engerd was erger dan misbruikt worden. Hoe kom je daar weer uit als je jezelf zo uitgeleverd hebt aan zo’n man?

Ik was nooit echt een fan van Michael Jackson. Zijn muziek vond ik soms weergaloos, zijn dans, zijn show. Ik ga niet anders naar hem kijken, niet anders naar hem luisteren, hij was altijd ‘raar’. Maar hoe is hij daar terecht gekomen? Waar was zijn familie, die hem nu zo beschermt ‘onze Michael is niet zo’. ‘Onze Michael’ was wel zo en honderd keer erger misschien dan wij ons kunnen voorstellen. Een zieke jongen die kleine jongetjes meesleurde in zijn trieste bestaan.

Hij had alles en had helemaal niets.

Hand(ig)leidingen

Bij een verhuizing naar een nieuwbouwhuis hoort de installatie van keuken en badkamer. De keuken is voorzien van allerlei apparatuur die door de keukenleverancier werd aanbevolen en wij, dummies, knikten ‘ja’.

Ga je bijvoorbeeld eens een nieuwe afwasmachine kopen dan google je jezelf in het rond naar kwaliteit, reviews, prijzen. Bij een nieuwe keuken lijkt het alsof de apparatuur al in de keuken zit en kijken we nu met verbazing naar onze AEG componenten. Bij al het spul horen handleidingen en het liefst alles in 88 talen. Ons keukenkastje lag vol met leesvoer.

Sorteren

Dus eerst maar eens een stapeltje Nederlands verzameld en me in gaan lezen. Soms tot wanhoop want van gas naar inductie valt in eerste instantie niet mee. ‘Toch maar even een patatje halen’, vraag ik Vriendin. Maar zo langzaam heb ik door wat de symbolen betekenen en zien ze er angstaanjagender uit dan dat ze in werkelijkheid zijn.

Huismap

Niet alleen de apparatuur heeft handleidingen, ons huis heeft er ook meerdere. Een kastje voor de zonnepanelen, stekkers die loshangen waarvan we geen idee hebben wat er gebeurt als we die in een stopcontact stoppen? De luchtverversingsinstallatie met ook weer ontelbare knopjes en functies. De vloerverwarming die correspondeert met watertemperatuur en omgevingstemperatuur. Op dat soort momenten verval ik vaak in het oerlelijke ‘schiet-mij-maar-lek’ mechanisme.

Badderen

Eén ding stond (voor mij) vast: in het nieuwe huis moest en zou er ook gebadderd kunnen worden en met wat aanpassingen is dat ook gelukt. Er staat een bad. We herinneren ons niet hoe we tot de keuze van dit bad zijn gekomen want het blijkt een bad waar een heel voetbalteam tegelijk in kan vertoeven. Nu zijn we te oud voor dat soort feestjes maar toch.
Het bad is ook een stuk hoger dan we gewend zijn en dat merk je pas als je er in wilt stappen. Dat noem je nu je benen optrekken. Als ik eenmaal veilig en wel op de bodem beland ben vraag ik me af hoe dat moet over een jaar of wat. Een trappetje?
Het bad uitgaan is ook een hele spannende exercitie want nat en glad. Gelukkig zijn er geen beelden van. Het is al erg genoeg dat Vriendin getuige was van dit gracieus ontbadderen maar gelukkig zei ze ‘ik houd toch wel van je’.

Meningnietus

Een bericht in het journaal. Inseminatie bij alleenstaande en lesbische vrouwen wordt niet meer vergoed. Werd eerst het ontbreken van een mannelijke partner als medische indicatie beschouwd, minister Bruins maakt deze week het beleid duidelijk. Het ontbreken van een mannelijke partner is geen medische indicatie.

En mijn eerste gedachte: EENS. Natuurlijk is het ontbreken van een mannelijke partner geen medische indicatie. Het willen hebben van een mannelijke partner is soms onvrijwillig maar in het geval van lesbische vrouwen in het geheel niet.
Stel dat we nu nog de sociale principes van de jaren dertig hanteerden. Dan zou een alleenstaande vrouw of een lesbisch koppel recht op een uitkering hebben omdat die man, die mijnheer die het geld in het laatje moet brengen volgens de normen, ontbreekt. En wie zorgt er dan voor die arme vrouwen?

Wat ik maar zeggen wil: ik was lekker op dreef in mijn hoofd.

Maar in hetzelfde bericht reageert de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) bezorgd. ‘Vrouwen zouden hun toevlucht nemen tot donoren die via andere wegen worden gevonden. Die zijn dan mogelijk niet gescreend op geslachtsziekten en hebben een onbekende spermakwaliteit. Ook is het registreren en handhaven van het aantal nakomelingen bij deze donoren onmogelijk’.

Eens – Oneens

En weer dacht ik: EENS.
Een vrouw zegt: ‘Iedere afwezigheid van zaad is een medische noodzaak. Als ik een heterovrouw was met een man die om wat voor reden dan ook geen zaad kan produceren, dan zouden ze zeggen: prima, we gaan u helpen. Nou, mijn vriendin kan ook geen zaad produceren.”

Ik kom maar tot één conclusie: ik zou een waardeloze politicus zijn. Ik zou met alle winden meewaaien omdat elke wind iets vertegenwoordigt waar ik me in kan vinden. Stelling nemen kan ik heel goed in een rollenspel maar in het echte leven blijf ik alles van meerdere kanten bekijken.

Het zou mij al enorm helpen als we de vergoeding van dit soort ingrepen niet koppelen aan een medische maar aan een biologische indicatie.
Daar kan ik me in vinden. Geloof ik.

‘Onze’ verhuismannen

We hadden het advies van vrienden opgevolgd bij onze keuze voor een verhuisbedrijf. Het bleek een goed advies.

Drie aardige mannen lopen door het huis en pakken behoedzaam dozen en ander spul op. Ze drinken koffie en eten stroopwafels, want dat doen mannen, dat hadden we alvast goed ingeschat. We lopen tegen ons onvermogen op om alles aan hen over te laten. Het liefst helpen we mee sjouwen maar een van de mannen wijst ons er op. ‘Dat doen wij, gaan jullie maar zitten’.

Leuke praatjes

Zo tussen neus, lippen en dozen in horen we hun verhalen aan. De een heeft suiker maar lust nog wel een koekje. Ze noemen elkaar plagerig ‘lieverd’ maar zijn vooral lief voor elkaar. En we boffen want we ze komen nog een keer terug als we echt gaan verhuizen. Daar verheugen wij ons op.

Daar zijn ze weer

Of ze ons herkennen weten we niet maar al snel voelt het vertrouwd als de mannen de spullen weer aan komen leveren. Weer steken we onze handen uit om dozen aan te pakken maar de man schudt zijn hoofd. ‘Dat doen wij’. Als een heel zwaar dressoir op zijn plaats staat, de mannen de volgende lading gaan halen, besluiten wij dat het toch beter verplaatst kan worden. Aarzelend leggen we het voor. ‘Geen probleem’. Een van de mannen zegt: ‘Mag ik zo brutaal zijn om iets voor te stellen’. Wij knikken. ‘Waarom zetten jullie de televisie niet daar, de bank zus, de kast zo, ik zeg het maar hoor, lijkt mij mooier’. Wij aarzelen.
‘Weet je wat zegt de man, wij zetten het neer zoals het ons goed lijkt, jullie kijken en dan zetten we het ook weer anders, dan kunnen jullie kiezen’.
Een van de andere verhuizers zie ik met iets van een vraagteken in zijn ogen zijn collega aankijken. ‘Er zijn grenzen bro’, lijkt het vraagteken te zeggen maar de man van het aanbod heeft zo’n stralende blik in zijn ogen dat zelfs hij deze niet kan weerstaan. Ze gaan schuiven, sjouwen, knikken en kijken ons vragend aan. De derde verhuizer, een jonge knul, mengt zich in het gesprek. ‘Eerlijk?’ Hij kijkt mij vragend aan. ‘Ik vind het ook mooier zo’. Dat geeft de doorslag. Vriendin en ik lachen als twee kleine schoolmeisjes naar de grote mannen. ‘Doe maar zo’, zeggen we.

Bijna huggen we elkaar bij het afscheid nemen. Wat is het heerlijk om dingen niet te weten, mannen knopen door laten hakken en het je laten welgevallen. Af en toe natuurlijk. Zo nu en dan.

Gezond verstand: ‘aan’

In het huis van Broer regeert Google. Tenminste, laat ik Google regeren. Was ik eerst niet enthousiast nu denk ik soms ‘verdomd handig’.
Als het werkt.

Ik stond vanmorgen nog vroeger op dan anders om tijd voor mijn blog te hebben. In het pikkedonker en met een stem die liever niet wil spreken op het vroege uur zeg ik: ‘Hé Google, woonkamerverlichting aan’. Meestal zet mevrouw Google dan drie lampen aan en glimlach ik mijn dankbare lach. Vanmorgen zei ze dat ze mij niet begreep. Dat kan de beste overkomen. Ik geef het commando ‘woonkamerverlichting aan’ in alle toonhoogten maar ze blijft mij niet begrijpen.

Honderd procent

Dan zeg ik ‘Hé Google, verlichting aan’. Dat begrijpt ze verkeerd. Ze zet alle lampen aan. Ook daar waar Vriendin nog heerlijk ligt te slapen. Gelukkig zet mevrouw Google ze ook weer snel uit. Dan vraag ik of ze drie lampen aan wil doen. Dat wordt niet begrepen. Ze dimt de lampen op 3 procent. Dat is niet echt licht. Dus zeg ik nogal gepikeerd: ‘Hé Google, honderd procent’. 

Dan gebeurt het. Ze zet alles op honderd procent. Ook haar volume. Door de hele wijk schalt nu ‘dat is goed, ik zet mijn geluid op honderd procent’. En ze zegt nog meer zinnen terwijl ik nu eigenlijk wil dat ze stil is om de buren niet wakker te maken. ‘Hé Google, alles uit’. Dat doet ze. In het pikkedonker staar ik naar het apparaat. Die maar blijft zeggen dat ze het niet begrijpt. Dat ze nog niet heeft geleerd mijn commando op te volgen. Gelukkig geeft mijn telefoon ook licht en als ik naar de gang schuifel zie ik aan de muur zo’n ouderwetse knop. Je weet wel, waar we vroeger de lampen mee aan en uit konden zetten. Ik druk op de knop en plots brandt er een verhelderend lichtje in de woonkamer.

Eureka.