CategorieBlogs

De luie ligbedgeneratie

Jaren geleden fladderden we als vluchtige vlinders over het strand. Ons lichaam voegde zich met gemak in het goudgele strand, onze tenen speelden met het zand. Dat was toen.

Tegenwoordig horen we bij de ligbedgeneratie. Een strand is pas een strand als er bedjes en parasols staan. Decadent misschien maar het lichaam is er aan toe.

Juweeltje

Poedelend in de zee worden we aangesproken door een Nederlands echtpaar. Zij hebben een juweel van een strand ontdekt. Een intieme baai met ligbedjes, met vissen die uit je handen eten en de authentieke Spaanse sfeer waar iedereen naar op zoek is. Zij vertrekken die dag en gunnen ons ook die ervaring.

Een dag later gaan we op zoek en vinden het strandje. Weinig ligbedden staan er maar genoeg voor ons, dus we ploffen neer. Om ons heen storten complete Spaanse families met eten en drinken voor een week zich aan onze voeten. Hun conversaties zijn luid en talrijk.

Ligbedstrand

Dit is geen ligbedstrand. Mooie, jonge mensen met bruine lijven liggen te pronken op het strand. Er wordt gekeken, gelachen, geflirt. Een jonge, hele dikke vrouw in een beschaafde bikini loopt naar de zee. Achter haar wordt gewezen en wordt ze bespot. Ze zal vast de ogen in haar rug voelen maar ze loopt moedig door. Meisjes taxeren hun concurenten en maken oogcontact met vriendjes die niet hun vriendje zijn.

Veilig

Deze week voelde ik me veilig op het strand. Tussen de lekkere-luie-ligbedgeneratie is geen competitie meer. Die tijd ligt achter ons. We laten hangen wat hangt en andermans vriendjes zijn niet meer interessant. Geen spottende blikken. Niets. We zijn verworden tot een generatie die er niet meer toe doet en dat is natuurlijk ook pijnlijk. Maar voor geen goud zou ik terugwillen naar de wereld waarin uiterlijk en schone schijn bepalen wie je bent.

Geen poppenkast meer.

 

Goed nieuws is geen nieuws

Toch, een bekend gegeven, goed nieuws is geen nieuws. Dat ga ik veranderen. Ons vertrek naar Lanzarote verliep meer dan soepel.

Dat we op een onchristelijk uur vertrekken laat ik buiten beschouwing want hé:  vakantie. Geen rij bij de incheckbalie, een en al vriendelijkheid om ons heen, zelfs’ het fouilleren is prettig. Het vliegtuig vertrekt op tijd. De huilende kinderen zijn rijenver verwijderd van ons. De rij voor ons wordt in beslag genomen door een jong gezin met een lief meisje, een verstandige moeder en een toffe vader.

Slapen

We worden welkom geheten door de ‘crew’ en het meisje spreekt alsof ze een verhaal aan kleuters voorleest. Met onze duim in de mond vallen we in slaap. Als we wakker worden zijn we er al bijna.

De koffer rolt voor ons de bagageband af. We zijn de eersten bij de autoverhuurbalie. De auto is goed en rijdt.

Tegenvaller

Dat we blijkbaar op het meest bewolkte gedeelte van het eiland zitten, mij hoor je niet. Dat we geen trui bij ons hebben, want altijd goed klimaat, mij hoor je niet. Dat ik Vriendin met een verrekijker moet zoeken in ons bed van zes meter breed… dat de douche niet werkt…

Mijn reisgezelschap zit buiten. Ik zie hen zitten met achter hen palmbomen, bergen, witte wolkjes en zon.  Er staat koffie klaar.

Goed nieuws scoort.

 

Vuile lafbekken

Ik wilde vandaag over iets anders schrijven maar bij het ontwaken voel ik me akelig, verdrietig en machteloos. De kinderen Lili en Howich worden vandaag uitgezet. Wat een vreselijk woord voor kinderen die niets hebben misdaan. Uitgezet, opgehoepeld, opgerot.

En ik heb niets nieuws toe te voegen aan alles wat al gezegd en geschreven is. Aan datgene wat mensen met verstand en compassie al gemeld hebben. Mijn tranen zullen niet de druppel zijn die de witte heren uit Den Haag op andere gedachten zullen brengen en maak je geen zorgen, met ‘witte heren’ bedoel ik ook de ‘vrouwen’. Ik bedoel de hele kliek die nu over elkaar heen struikelt met een vastberadenheid die ik ze nog nooit ergens heb zien tonen. Gadverdamme.

Rutte ging dansen

Rutte had nog wel wat te zeggen. Het deed hem echt ook wel iets maar als ze nu geen statement zouden maken dan zou er helemaal geen draagvlak meer zijn voor mensen die echt opgevangen moeten worden. En toen ging hij dansen bij Anouk in Scheveningen. Ik weet dat Anouk haar nieuwe Nederlandse single daar niet gezongen heeft maar had ze het maar gedaan. Stilte gevraagd en het opgedragen aan heer Rutte himself en aan zijn makkers die naast hem heupwiegend genoten van de Nederlandse geneugten.

‘Ik heb het met je rotkop gehad’. jij huichelaar’

Ik val in herhaling. Want zorg ervoor dat procedures die een kinderleven duren niet meer mogelijk zijn. Het is een misdaad en heeft niets maar dan ook niets met ‘rechtvaardigheid’ te maken. Als je zo stoer wilt zijn zoals je nu lafhartig doet, zet die stap dan eerder.

Toen ik gisteravond het laatste nieuws hoorde over de kinderen dacht ik alleen maar ‘ren, ren, ren voor je leven’. Maar Vriendin opperde dat ze waarschijnlijk al ergens zijn waar niet meer gerend kan worden.

Waar ik zo bang voor ben is dat wij allemaal doorgaan met ons leven en dat is precies wat de politiek al bedacht had en op gehoopt heeft. Volgende week praat niemand er meer over. Mag Blok blijven, mag Pechtold buiten de pot pissen, mogen bedrijven die hier niets te zoeken hebben zich hier investeren en zijn Lili en Howick schaduwen die langzaam verdwijnen in een grijze ledigheid.

Nederland. Nederigland. Schaamteland.

 

Vergeet Mij Niet

Lien de Jong (84) © Ernst Coppejans

Donderdag 6 september was bij Pauw een gast die veel indruk op mij maakte. Lien de Jong. Een krachtige, prachtige dame met een geschiedenis om te willen vergeten. Bart van Es schreef een boek over haar leven.

Het verhaal is al boeiend genoeg maar dat is niet perse wat mij zo raakt. Het is de uitstraling van deze vrouw. De lach, de ogen die spreken, het kordate, het onbreekbare, het tere ook.

Vergeet mij niet

Bart van Es, de schrijver van Vergeet mij niet, woonde bijna zijn hele leven in het buitenland. Een verhaal uit zijn Nederlandse jeugd blijft hem bij. Over het Joodse meisje Lien dat bij zijn familie zat ondergedoken. Hoe het contact plotseling verbroken werd en hij zich afvroeg wat er van Lien de Jong terecht was gekomen. Wat was haar verhaal. Hij zoekt haar op en dat is het begin van een vriendschap en een boek dat deze week verschijnt.

Ik ken het boek nog niet, maar ik hoor in het interview bij Pauw de verschrikkingen. Er wordt een brief voorgelezen van de moeder van Lien aan de pleegouders van het meisje. Een prachtige brief van een moedige moeder. Een liefdesbrief van een moeder waarmee ze haar dochter weggeeft uit liefde.

Generatie

Als ik verhalen als deze hoor of lees, besef ik altijd zo goed dat mijn generatie een gelukkige generatie is. Van na de oorlog en waarschijnlijk ook van voor de oorlog. En ik hoop en bid dat ‘voor de oorlog’ nog heel lang gaat duren. Voor al die jonge mensen die nu spelen en zingen en geloven dat het voor altijd zo zal blijven. Daarom zijn de verhalen van toen het anders was en zoveel slechter dan nu, zo belangrijk. Om het nooit voor lief te nemen.

Deze week was er veel ophef over een interview met priester Antoine Bodar. Met wat hij zegt over transgenders en homoseksuelen ben ik het niet eens, hoe kan ik, maar in essentie begrijp ik wel wat hij zegt. Natuurlijk preekt hij voor eigen parochie maar als we de parochie loskoppelen dan denk ik ook dat wij ons hier over zoveel dingen zorgen maken omdat we de tijd en de ruimte hebben om ons zorgen te kunnen maken.

Leven en overleven

Wij leven en ik heb nog nooit het gevoel gehad te moeten overleven. Niet in praktische zin. En dan zit daar zo’n oude dame aan tafel die alles heeft meegemaakt wat nooit had mogen gebeuren, ze heeft het overleefd en ze leeft misschien juist daardoor wel meer. Zij weet in ieder geval echt waar het om draait. Wij kunnen slechts raden. En ik wil het zelf niet meemaken, natuurlijk niet. Maar ik wil wel herinnerd blijven worden aan hoe het ook kan zijn. En dankbaar blijven.

 

Menschen, menschen

Wat is er leuker, fijner, interessanter en pleasanter dan mensen te bekijken die langs lopen terwijl je zelf vrij relaxt achter een glaasje van ‘t’een en ander’ zit? Bijna niets. In Valkenburg was het dit afgelopen weekend nog vrij druk. We konden een plaatsje bemachtigen en keken onze ogen uit.

Wat zijn er toch veel van ons soort. En hoe verschillend zijn we wel niet van elkaar. Het leuke van Valkenburg is dat mensen minstens twee keer langs komen, heen en terug. Je kan namelijk geen andere kant op. Dus wil je eens gaan kijken waar je gaat eten dan loop je heen, dan loop je weer terug en dan pas de derde keer neem je het besluit.

Uiterlijk

Terraskijkers mogen gewoon alleen maar op uiterlijk beoordelen. Er is geen tijd voor een nadere kennismaking dus we hoeven ons ook niet te houden aan allerlei beleefdheidsonzin zoals ‘misschien is ‘ie best aardig’ of ‘ze zal toch iets hebben’. We mogen ongegeneerd fluisteren wat we denken in de wetenschap dat we zelf ooit weer dat terrasje af komen en beoordeeld zullen worden. Ik wil het niet weten.

ANWB stellen

Ik heb eerder geschreven over echtparen die in dezelfde kleding (M/V) lopen maar dat bedoel ik nu niet. Wist je dat echtparen ook op elkaar gaan lijken? Of er liepen allemaal broers met hun zussen hand in hand door het gezellige straatje. Baasjes gaan op hun honden lijken, mannen op hun vrouwen of andersom. Stiekem zou ik best op mijn hond willen lijken. Zij krijgt meer complimenten op één dag dan ik in mijn hele, lange leven heb mogen ontvangen.

Maar wat een trainingspakken, dikke buiken, dunne billen, schele ogen, grote neuzen, strakke shirtjes, blauwe ogen, bruine ogen, grote borsten, hangborsten, botoxlippen, hoge hakken, wielrenbroekjes, wielrenbroekjes met hele dikke buiken, kinderen als miniatuurtjes van hun ouders, mannengroepen, vrouwengroepen, moeders en dochters, vaders en vriendinnen, verliefden, verlepten, verlaten mensen.

Vertrekken

Als we opstaan omdat we toch uiteindelijk daar niet kunnen blijven zitten, vervrouwen we ons. Staan rechtop, buiken in en lopen langs de overvolle terrassen met de ogen op ver gericht. Vooral niet kijken wie er naar ons kijken. Niet proberen de blikken te vangen om te vermoeden wat ze tegen elkaar fluisteren. Dat kan nooit veel soeps zijn. We weten er alles van.

Eénakter in Broekhem

We verblijven in een familiehotel in Valkenburg. Simpel, eenvoudig, betaalbaar. Lovende kritieken op internet.

Als we ons melden sloft van achteren een kleine man onze kant op. Kalend, tenger, spreekt hij met een hele zachte stem zonder enige intonatie. Door zijn Limburgse accent en de stilte in het hotel en in de man voel ik me alsof we op de set stappen van een oud Hollandse klucht.

Verhaal

Hij draait zijn verhaal af zoals hij dat al honderd jaar doet. Elke mogelijke vraag die we zouden hebben is als antwoord verwerkt in de monoloog. Het verhaal van de twee sleutels legt hij twee keer uit. Een sleutel voor de kamer en een sleutel voor de buitendeur. Of we dat begrijpen? We knikken. “Wificode is straatnaam”, gaat hij verder. “Kleintjes, nergens grote letters, ook niet de eerste”.

Parkeren

Hij wijst ons hoe te rijden om op de parkeerplaats te komen. Als we ons vijf minuten later melden vanaf de achterkant van het hotel, is hij lichtelijk verbaasd: “U heeft het gevonden?” Er klinkt bewondering door in zijn stem.

Rustig avondje

We gaan ergens eten en rijden nog even langs het hotel omdat ik iets vergeten ben. We parkeren aan de voorkant. Als het belletje klinkt dat onze entree verklapt, is de man er weer. Als een popup-mannetje uit een opengeslagen boek.

“U gaat van achteren weg, u komt van voren weer binnen’ mompelt hij. Zoiets heeft hij nog niet eerder meegemaakt. Hij wenst ons een rustige avond en welterusten. Ik zeg dat we nog weggaan. De man kijkt verbouwereerd en is van slag. “U zei toch net dat u al gegeten heeft, dus ik dacht ….”.

Als we na middernacht via de achteringang naar binnen gaan met de tweede sleutel, komt hij aangeschoven. ‘U gaat van voren weg en komt van achter binnen. Zeker om het huis gelopen.’ Hij verwacht geen antwoord, hij zoekt het zelf al jaren uit. We wensen hem een goede nacht. Als twee ondeugende kinderen glippen we onze kamer binnen. En nu gaan we ontbijten. Wat een spanning.

In gesprek met een fruitvlieg

Ieder huisje heeft z’n kruisje, dat weet ik wel. En ik ga ze ook niet groter maken dan ze zijn maar ik erger me gek aan fruitvliegjes.

Vanmorgen trof ik mezelf mijmerend en mompelend aan boven mijn zelfgefabriceerde fruitvliegjesvanger.
‘Er zijn er toch een paar gesneuveld etterballen’. Ik zei het echt hardop. Het is mij ernst.

Wat ik ook doe, hoe ik ook schoonmaak, ze blijven komen en gaan. Fruit in de koelkast, wat niet goed is voor het fruit, maar soms moet je kiezen: gezondheid of veiligheid.

Siroop

Ik googel op geheime recepten waarmee je de fruitvlieg in een keer vertelt op te zouten. Azijn komt voorbij, witte wijn, siroop. Je kan ook van die dingen kopen waarin een of ander goedje zit dat ze aantrekt. Van die gezellige ronde vormpjes waarin ze verdwijnen. Erger zijn die met een kartonnetje en daarin een flesje met eenzelfde zoete lekkernij. Het kartonnetje is aan de binnenkant bekleed met een plakkerige substantie waar ik mijn eigen vinger niet meer van af krijg. Echt waar, gebeurd. Zo’n flesje moet je ook niet per ongeluk omstoten. Ook gebeurd.

Wespen

Anders erg vind ik de wesp. Fruitvliegjes vind ik smerig, wespen vind ik eng. Er schijnen er veel onderweg te zijn. Ook daar googel ik weer op, hoe me te wapenen tegen de WESP.

Vliegenmepper

Ik wilde een vliegenmepper want ik ga er van uit dat ik daarmee ook een wesp naar beneden kan halen. Maar er zijn geen ouderwetse vliegenmeppers meer. Wel van die elektrische waarmee je het beestje een schok geeft. Dat vind ik gemeen en een ongelijkwaardige strijd. Ze lachen me uit als ik dat zeg, mijn vrienden. Maar met een vliegenmepper kan ik nog misslaan en dan heeft de tegenpartij gewoon gewonnen. Zo simpel is het leven soms. Met zo’n schokkenmepper hebben ze geen schijn van kans.

En trouwens, het helpt ook niet tegen fruitvliegjes. Ze ontspringen de dans en vliegen door de mazen van het meppernet.

Het moet maar snel gaan winteren.

 

Glennis Grace: nederigheid staat haar niet

“De Amerikaanse Glennis is een Glennis in spijkerbroek”, schreef Nynke de Jong in haar column in het AD. En ik dacht: verrek. Dat is het wat zo schuurt. Glennis Grace doet mee aan America Got Talent en heeft een plek in de halve finale veroverd. Ik ben fan van Glennis of moet ik zeggen ‘was’?

Als ik zeg hoe goed ik Glennis Grace vind worden er neuzen opgetrokken. Ja ze is goed maar zó arrogant, geen leuk mens, enzovoort. Ik weet het niet, ik ken haar niet. Ik hoor haar stem en denk alleen maar ‘wat een stem’. Nu doet ze mee aan America Got Talent en we zien een Grace die ik niet ken. Nederig, meisjesachtig, verlegen, schuchter.

De Jong schrijft in haar column dat niet alleen de stem belangrijk is maar ook het verhaal. En dat verhaal wordt verteld en keer op keer herhaald. Glennis Grace als ‘single mom’, als vrouw die  in het eentje moet doen, over haar zoon die zei: ‘Mam, je moet dit gewoon doen’.

Bah, bah, bah

Als Glennis bij haar eerste auditie op komt lopen valt me al op hoe eenvoudig ze eruit ziet. Een spijkerbroek, een wit t-shirt een lang vest. Ze knijpt haar ogen dicht en speelt een verlegen meisje die eindelijk de stap durft te nemen. Door De Jong beseft ik dat het één groot opgezet plan is  in de marketingcampagne die ‘Glennis speelt nederig’ heet. Weet je, ik houd er niet van. En elke keer vraagt de jury: ‘hoe heet je zoon ook alweer?’, en ‘bedank je zoon dat hij je zover heeft gekregen om mee te doen’, ‘jij geeft hoop aan al die alleenstaande vrouwen die misschien ook een droom hebben’. En Glennis buigt het hoofd.

‘Ik ben als dat nodig is de grootste bitch die Nederland heeft’

Moeder en heilige

Glennis Grace staat toch vooral bekend om haar grote bek. En je mag haar juist daarom of juist daarom niet. Ik wist dat ze een zoontje heeft maar de naam was mij onbekend. Ze zal ongetwijfeld van haar zoontje houden maar dat hij haar gesmeekt heeft om een droom te verwezenlijken? Ze speelt het spel zoals haar opgedragen wordt maar voor mij heeft ze pas echt ballen als ze zegt: Ik doe daar niet aan mee. Ik ben geen zielige, alleenstaande moeder, ik ben als dat nodig is de grootste bitch die Nederland heeft en ik ben dat omdat ik fucking goed kan zingen en nu eindelijk eens carrière wil maken in een land dat groter is dan Madurodam.’

Maar Glennis Grace voegt zich met gemak in het spel dat gespeeld moet worden.
Ik vind haar nog steeds één van de beste zangeressen die ik ken en dat blijft.
Maar nederigheid is een oprechte eigenschap van mensen die groter zijn dan ze zelf denken en dat heb ik nog nooit gedacht bij Glennis Grace.

 

Je zal er maar wonen…

Soms lees je iets en denk je ‘dat kan niet waar zijn’. In de Volkskrant vandaag een stuk over Zaanstad waar in 2016 nieuwbouwhuizen in de Zaanse Eilanden werden opgeleverd. Wie wil daar niet wonen? Nou, mensen die het niet eens waren met de gekozen straatnamen in de blaasinstrumentenwijk.
Hobo

Het college van burgemeester en wethouders was niet voor één gat te vangen toen aspirant-bewoners een kavel niet wilde kopen omdat de naam ‘hobo’ hen heel sterk deed denken aan ‘homo’. En wie wil daar nu wonen? Het college verruilde gewoon het ene blaasinstrument voor een ander. Hobo werd piccolo. Kavel verkocht. Andere bewoners vonden dat de gemeente hiermee toegaf aan homofobie en raadpleegde Bureau Discriminatiezaken. Nu, twee jaar later, erkent de gemeentesecretaris dat er verkeerde argumenten waren gehanteerd.

Regenboogstad

Het mooie of eigenlijk trieste is, is dat Zaanstad een Regenboogstad is. Zo’n stad waar iedereen zichzelf moet kunnen zijn, waar iedereen zich veilig voelt. Waarschijnlijk wil Zaanstad ook een veilige haven zijn voor kleinzielige hobohaters.
Maar eerlijk hoe klein en petieterig moet je zijn om een andere straatnaam te willen/eisen omdat de naam lijkt op ‘homo’. ‘En dat klinkt niet fijn’. Nee, dat klinkt zeker niet fijn.

Slim

Maar misschien heeft de gemeenteraad wel iets heel slims gedaan. Want ‘hobo’ werd ‘piccolo’. De betekenis van ‘piccolo’ is ‘klein formaat’, als het nu om het muziekinstrument zelf gaat (kleine fluit) of om een flesje champagne. Hulde voor de ambtenaar die dit bedacht heeft. Een straatnaam voor kleine mensen?

De Piccolo was, samen met ‘de Lach’ een Nederlands weekblad voor mannen dat verscheen van 1924 tot 1972. Het blad bevatte veel foto’s van schaars geklede vrouwelijke filmsterren, voor die tijd, zeer gewaagd.
Van die stiekeme blaadjes voor stiekeme mensen. Als homo zou ik niet in zo’n straat willen wonen.

Je kind of je mobieltje.

Gisterochtend, een uurtje of half negen, fiets ik naar het werk. In nog geen dertig seconden zie ik zoveel idioot gedrag op de fiets dat ik eigenlijk vermoed getest te worden. Zo’n programma als ‘zegt ze er iets van of niet’. Ik zeg er iets van. Nu.

Ik haal een vader in, dochtertje voorop, zo’n ukkie dat nog nauwelijks echt kan zitten. Hij heeft één hand losjes aan het stuur terwijl hij met de andere zenuwachtig over zijn beeldscherm veegt. Op zoek naar verloren berichten? Af en toe slaat hij een nerveus oog op om de omgeving in de gaten te houden. Mij ziet hij niet.

Ik haal een andere vader in. Dochter achterop. Hij slingert, want met die ene hand aan het stuur probeert hij ook haar tas en zijn werktas die aan het stuur hangen recht te houden. Aan de andere hand zijn mobiel. De dochter roept ‘papa, je rijdt door rood’. Papa is druk.

Een stoplicht. Een moeder met een baby in een draagzak. Wat schattig. Geen gewone fiets, nee, zo’n super handige bakfiets waar je van alles in kan vervoeren. Dat doet ze ook. Drie kinderen zitten in de bak. Een sterke vrouw. Dat moet wel, want met één hand aan het stuur, de ander haar mobiel, probeert ze vanuit stilstand weg te rijden. Het lukt. Knap.

Heilige

Nee, ik ben geen heilige. Ik kan geen minuut buiten mijn telefoon en alles wat dat ding voor mij vertegenwoordigt. Als ik hem vergeet, ga ik terug. Zo erg dus. Maar ik gebruik het ding niet als ik fiets of achter het stuur zit in de auto. Kan nu trots melden dat dat mijn gezond verstand is maar ik vrees dat leeftijd hier meer het issue is. Ik kan die dingen niet combineren. Het is of het een of het ander.

Verbod

En de kans dat er een verbod komt op het gebruik van je mobiel in het verkeer is groot. Maar helpt dat. Het helpt denk ik alleen maar als ik de moed krijg om iemand aan te spreken op dat idiote gedrag. Of dat we allemaal, bij wet geregeld, iemand mogen vragen: ‘je kind of je mobieltje?’. En dan in beslag nemen. Kind of mobiel.