CategoriePersoonlijk

Puntjes op de i

Na een verhuizing naar een nieuwbouwhuis of -appartement blijven er altijd wat van die pietepeuterige ieniemieniedingetjes over die nog even gedaan moeten worden.

Zo hangt er in onze badkamer een grote spiegel. Het element dat de spiegel verwarmt en zorgt dat het niet beslagen raakt maakt een vierkant van ongeveer zestig centimeter ‘vrij’. De spiegel hangt hoog. Om in het vierkant te geraken moeten we dan ook springen. De aanblik die we dan krijgen is van korte duur. Als ik meld dat ik het toch wat eigenaardig vind dat de spiegel op die hoogte is bevestigd haalt de badkamermijnheer de spiegel van de muur. Op de tegels staat met zwarte stift geschreven: 2 meter 10. De monteur is verbaasd. Die hoogte komt niet overeen met de maten in de offerte. Waarom is dat gedaan en hoe dan?

Natuurlijk is er een oplossing. Twee tegels eruit, nieuwe er in en spiegel lager hangen. Het wordt allemaal geregeld.

Binnenkomen

Ondertussen is er een ander probleem omdat niemand meer het gebouw op de bedoelde wijze binnen kan komen. De deur gaat niet open. De bel beneden doet het ook niet. Dat resulteert meerdere malen in een roepen van mij door de videofoon terwijl er boven op de deur geklopt wordt. Een idiote indruk maak ik zo als ik al schreeuwend de deur open. Omdat ik ook pakketjes verwacht hang ik beneden een briefje op, dat ze moeten bellen en vooral niet aanbellen en vertrekken met ‘de bezorger trof niemand thuis’.

Beetje stoffig

Natuurlijk weet ik ook wel dat je tegels niet als stickers van een muur verwijderd. De man haalt alle spullen uit de badkamer, legt handdoeken voor de deur en mompelt ‘stof’. Het kwartje valt. Ik hoor het slijpen van de slijptol. Als de man later de gang instapt zie ik een mist van stofdeeltjes door de badkamer dansen. Ik word gebeld en neem de lift naar beneden. Pakketje 1 is gearriveerd. Pakketje 2 is belangrijker. Levertijd: voor einde van de dag. Dat is lekker duidelijk. Ami moet toch plassen. Ik trek haar met gepaste haast door de storm en na de poep en plas snel ik naar het huis.

De badkamerman lacht me toe. De twee tegels die ik had klaargelegd zijn weliswaar wit maar niet het wit dat het zou moeten zijn. Ze zijn ook mat. ‘Dat hoort niet’, zegt de man, ‘je hebt glimmende’.
‘Dit zijn de dozen tegels die zijn achtergebleven in het huis’, stamel ik. Hij vertelt dat in iedere woning minstens 1 doos moet achterblijven met tegels voor eventuele vervangingen. Waarschijnlijk hebben de tegelzetters op goed geluk overal een doos neergelegd. We pikken de juiste tegels bij de buren.

Vloeren leggen

Omdat de vloerenlegger te weinig vloer had besteld moeten er in het rommelhok nog wat planken worden gelegd. Het is een rommelhok. Daarvoor wordt het ook gebruikt. Twee uur ben ik bezig om alle rommel uit het hok te halen voor twee lullige plankjes.
De badkamermijnheer gaat weg. ‘Morgen komen we de spiegel weer ophangen’, zwaait hij. ‘Houdoe’. Hij komt uit Houdoeland. Als ik de deur van de badkamer open zie ik door een waas onze schoongemaakte badkamer. De witte mist zit overal. Met frisse tegenzin vul ik mijn emmertje. Er wordt gebeld. Pakketje twee.

Moedeloos staar ik naar de twee pakketten waar een gewoon mens op een gewone dag heel blij van zou worden. Maar er moeten dingen in elkaar worden gezet. Dat lukt me alleen als ik uitgerust, goed gemutst en voorbereid op tegenslag aan de gang kan gaan.

Het is beter even te wachten.

Twee jongens in de bus

Hier kijkt niemand echt van op. Een stelletje. In het bos, op het strand, in het park, in de bus. Zij haar hoofd op zijn schouder. Gewoon een lief plaatje.

Zaterdagavond laat nemen wij de bus terug naar onze nieuwe woonplaats. Op het Centraal Station komt een jongen aangerend. Hij wacht bij de deur en ik zie door het raam een andere, kleinere jongen aan komen lopen. Niet zo snel als zijn vriend omdat hij dat niet kan. Zijn gehandicapte benen werken niet mee. In zijn handen niets anders dan een boek. ‘Kluun’ lees ik op het roze omslag.

Ze ploffen neer op een bankje naast ons. Twee leuke gasten. Ze praten, lachen. De grotere leunt tegen het raam en samen kijken ze naar iets op zijn mobieltje. De kleinere jongen laat zijn hoofd hangen op de schouder van zijn vriend. Deze slaat afwezig zijn arm om de schouders van de jongen en streelt zijn wang.

Druk

Het is best druk in de bus. Er staat een grote man uit te hijgen die nog net op tijd zijn bus heeft gehaald. Mensen, terug of op weg naar iets dat gevierd moet worden in het weekend, praten met elkaar.
Niemand, niemand kijkt naar het stel op de bank. Behalve ik dan. Want het is zo’n lief tafereel. De twee jongens zitten gewoon in een bus. Ze zijn zich totaal niet bewust van die vrouw die naast hen zit met haar vriendin aan haar zijde. De vrouw die geraakt wordt door de liefde en de terloopsheid van de liefde. De onbekommerdheid omdat het allemaal goed is.

Word ik blij van liefde, nog blijer word ik van die twee mannen die niet gestoord worden door schaamteloze blikken en minderwaardige opmerkingen. Niets. Niemand. Wat een fijn land is dit toch, denk ik, om 23.30 uur in bus 22.

Never, never, neverland

Gisteravond heb ik, zoals velen, gekeken naar de documentaire over Michael Jackson, ‘Leaving Neverland’. Ik heb het drie uur volgehouden, genoeg is genoeg.

In het begin van de documentaire treft mij vooral de eenzaamheid van de man/jongen. Het blijft moeilijk om hem als man te definiëren, met het hoge, ingehouden stemmetje, zijn giecheltjes en maniertjes. De twee mannen die gevolgd worden komen op mij geloofwaardig over maar in feite doet het er niet toe of het waar is of niet want dit gebeurt gewoon om ons heen. Dat weten we in ieder geval zeker.

Mooie jongens

Wat opvalt aan de kleine jongens die worden uitverkoren is vooral de onwaarschijnlijke schoonheid en kwetsbaarheid van de jongens. Artiesten in de dop en wezenloos van de grote artiest M. Het idee dat zij belangrijk worden gevonden door Jackson is groter dan groot. Ook de moeders zijn ondersteboven en wie zou dat niet zijn. Op Twitter gaat het los over de moeders: hoe kunnen ze, hoe konden ze het niet weten, niet zien? Maar ook de moeders en vaders komen in een wereld terecht die zo onwerkelijk en bizar is dat zij bedwelmd worden door het sprookje van Neverland.

Triest

Alles is triest, niet in de laatste plaats Michael Jackson zelf. De grootheid van de man, de gekte om hem heen, de eenzaamheid. Eng vind ik hem pas echt als hij met zijn kleine engeltjesstem zalvende woorden uitspreekt over liefde en mededogen. De ingehouden gekte van een superster.

Waar de documentaire mij echt raakt is als de mannen spreken over het vervangen worden door een jonger en mooier exemplaar. Je zo verloren voelen, afgedankt, wetend dat het niet klopt maar bereid om zo weer in die wereld te stappen, misbruikt te worden. Afgewezen worden door de engerd was erger dan misbruikt worden. Hoe kom je daar weer uit als je jezelf zo uitgeleverd hebt aan zo’n man?

Ik was nooit echt een fan van Michael Jackson. Zijn muziek vond ik soms weergaloos, zijn dans, zijn show. Ik ga niet anders naar hem kijken, niet anders naar hem luisteren, hij was altijd ‘raar’. Maar hoe is hij daar terecht gekomen? Waar was zijn familie, die hem nu zo beschermt ‘onze Michael is niet zo’. ‘Onze Michael’ was wel zo en honderd keer erger misschien dan wij ons kunnen voorstellen. Een zieke jongen die kleine jongetjes meesleurde in zijn trieste bestaan.

Hij had alles en had helemaal niets.

Hand(ig)leidingen

Bij een verhuizing naar een nieuwbouwhuis hoort de installatie van keuken en badkamer. De keuken is voorzien van allerlei apparatuur die door de keukenleverancier werd aanbevolen en wij, dummies, knikten ‘ja’.

Ga je bijvoorbeeld eens een nieuwe afwasmachine kopen dan google je jezelf in het rond naar kwaliteit, reviews, prijzen. Bij een nieuwe keuken lijkt het alsof de apparatuur al in de keuken zit en kijken we nu met verbazing naar onze AEG componenten. Bij al het spul horen handleidingen en het liefst alles in 88 talen. Ons keukenkastje lag vol met leesvoer.

Sorteren

Dus eerst maar eens een stapeltje Nederlands verzameld en me in gaan lezen. Soms tot wanhoop want van gas naar inductie valt in eerste instantie niet mee. ‘Toch maar even een patatje halen’, vraag ik Vriendin. Maar zo langzaam heb ik door wat de symbolen betekenen en zien ze er angstaanjagender uit dan dat ze in werkelijkheid zijn.

Huismap

Niet alleen de apparatuur heeft handleidingen, ons huis heeft er ook meerdere. Een kastje voor de zonnepanelen, stekkers die loshangen waarvan we geen idee hebben wat er gebeurt als we die in een stopcontact stoppen? De luchtverversingsinstallatie met ook weer ontelbare knopjes en functies. De vloerverwarming die correspondeert met watertemperatuur en omgevingstemperatuur. Op dat soort momenten verval ik vaak in het oerlelijke ‘schiet-mij-maar-lek’ mechanisme.

Badderen

Eén ding stond (voor mij) vast: in het nieuwe huis moest en zou er ook gebadderd kunnen worden en met wat aanpassingen is dat ook gelukt. Er staat een bad. We herinneren ons niet hoe we tot de keuze van dit bad zijn gekomen want het blijkt een bad waar een heel voetbalteam tegelijk in kan vertoeven. Nu zijn we te oud voor dat soort feestjes maar toch.
Het bad is ook een stuk hoger dan we gewend zijn en dat merk je pas als je er in wilt stappen. Dat noem je nu je benen optrekken. Als ik eenmaal veilig en wel op de bodem beland ben vraag ik me af hoe dat moet over een jaar of wat. Een trappetje?
Het bad uitgaan is ook een hele spannende exercitie want nat en glad. Gelukkig zijn er geen beelden van. Het is al erg genoeg dat Vriendin getuige was van dit gracieus ontbadderen maar gelukkig zei ze ‘ik houd toch wel van je’.

Meningnietus

Een bericht in het journaal. Inseminatie bij alleenstaande en lesbische vrouwen wordt niet meer vergoed. Werd eerst het ontbreken van een mannelijke partner als medische indicatie beschouwd, minister Bruins maakt deze week het beleid duidelijk. Het ontbreken van een mannelijke partner is geen medische indicatie.

En mijn eerste gedachte: EENS. Natuurlijk is het ontbreken van een mannelijke partner geen medische indicatie. Het willen hebben van een mannelijke partner is soms onvrijwillig maar in het geval van lesbische vrouwen in het geheel niet.
Stel dat we nu nog de sociale principes van de jaren dertig hanteerden. Dan zou een alleenstaande vrouw of een lesbisch koppel recht op een uitkering hebben omdat die man, die mijnheer die het geld in het laatje moet brengen volgens de normen, ontbreekt. En wie zorgt er dan voor die arme vrouwen?

Wat ik maar zeggen wil: ik was lekker op dreef in mijn hoofd.

Maar in hetzelfde bericht reageert de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) bezorgd. ‘Vrouwen zouden hun toevlucht nemen tot donoren die via andere wegen worden gevonden. Die zijn dan mogelijk niet gescreend op geslachtsziekten en hebben een onbekende spermakwaliteit. Ook is het registreren en handhaven van het aantal nakomelingen bij deze donoren onmogelijk’.

Eens – Oneens

En weer dacht ik: EENS.
Een vrouw zegt: ‘Iedere afwezigheid van zaad is een medische noodzaak. Als ik een heterovrouw was met een man die om wat voor reden dan ook geen zaad kan produceren, dan zouden ze zeggen: prima, we gaan u helpen. Nou, mijn vriendin kan ook geen zaad produceren.”

Ik kom maar tot één conclusie: ik zou een waardeloze politicus zijn. Ik zou met alle winden meewaaien omdat elke wind iets vertegenwoordigt waar ik me in kan vinden. Stelling nemen kan ik heel goed in een rollenspel maar in het echte leven blijf ik alles van meerdere kanten bekijken.

Het zou mij al enorm helpen als we de vergoeding van dit soort ingrepen niet koppelen aan een medische maar aan een biologische indicatie.
Daar kan ik me in vinden. Geloof ik.

Thuis voelen

Precies 1 week wonen we nu in ons appartement. Hoe lang duurt het om je ergens thuis te voelen? Bij ons niet langer dan een dag.

Niet alleen alle dozen zijn al uitgepakt, ze zijn al weer opgehaald ook. In het kader van ‘ik kan geen doos meer zien’ een blijde gebeurtenis. Mensen om ons heen zijn verbaasd: zo snel. We zeggen er bij dat ze sommige kasten niet open moeten trekken.

Alle mankementjes die bij een nieuwbouwwoning blijken te horen worden een voor een opgelost. Als je zelf aardig blijft, blijven ‘zij’ ook aardig. En het is eigenlijk heel makkelijk te doen, aardig blijven, want we zijn blij met het huis.

De weg kwijt

Hoewel we kleiner wonen ben ik per dag gemiddeld een keer of vijf de weg kwijt. Loop de verkeerde kamer binnen, zoek in de badkamer naar het toilet die er nu niet is, roep naar boven om Vriendin wakker te maken terwijl ze praktisch naast me ligt. Dat soort dingen.

Op radio 538 is er momenteel een item over wat de grootste ergernis is. Gewoon stomme dingen die altijd fout gaan. Ik hoor bijvoorbeeld iemand iets zeggen over water laten lopen op de holle kant van de lepel. Je weet dat het fout gaat, en het gaat ook fout. Zelf zou ik deze willen toevoegen: je hebt heel veel lades en je zoekt ‘iets’. Waarom vind je het dan altijd in de laatste lade die je opentrekt? Onze keuken heeft vele lades en ik red mijn tienduizend stappen makkelijk door gewoon iets te zoeken.

Als we ‘s avonds op de bank naast elkaar zitten, plotseling zitten we in dit huis naast elkaar…., we zetten de televisie aan: het werkt. Internet: het werkt. Muziek: het werkt. Hue en Sonos geïnstalleerd. Nu nog de juiste commando’s geven bij de juiste app en het klusje is geklaard.

Het oude huis doemt zelfs niet op in onze gedachten. Ami ligt meerdere keren per dag op haar rug te chillen in volkomen overgave aan de nieuwe situatie. Ik kan weer onbekommerd bloggen en op zoek gaan naar nieuwe onderwerpen dan huis, verhuizen, doos. Ik wed zomaar dat jullie daar misschien ook wel blij mee zijn.

De ene werklui is de ander niet

Er zijn heel wat mannen over de vloer geweest de afgelopen weken. Leuke mannen, gezellige mannen. Ik ging bijna denken dat dit soort mannen altijd vrolijke opgeruimde jongens waren. Maar toen was de keuken nog niet gemonteerd.

Twee zwijgzame types komen binnen. Sinds kort weet ik dat je niet alleen binnensmonds kan praten maar er ook zo uit kan zien. De ene, een studentikoos typ met lang haar, gaat gelijk aan de slag. De ander, de binnensmondse, zegt iets maar wat? Ik vraag of ze koffie willen. ‘Nee, dank u’. Ik vraag of ze enig idee hebben hoe lang het gaat duren. ‘Nee, moeilijk’.

Ze zwijgen in alle toonaarden, ook tegen elkaar. Mijn ongemak groeit met de minuut en even later loop ik net zo zwijgend door de hol klinkende woonkamer. ‘Dan ga ik maar’, zeg ik stilletjes. ‘Ja’, zeggen de mannen. Ze beloven te bellen als ze bijna klaar zijn.

Ze bellen niet

Uiteindelijk bel ik zelf. Ja, ze zijn bijna klaar. Ja, ik kan komen.
Ik pik Vriendin op en verwacht dat zij met haar betere sociale vermogens de mannen wel los kan krijgen. Niets is minder waar. In het huis is het net zo stil als die ochtend. De mannen kijken niet op of om. Ook niet als we ze complimenteren met de keuken die er prachtig uitziet.

Een van de mannen pakt een papier een trekt lades en kastjes open om te laten zien hoe en dat het werkt. Hij trekt de deur van de vriezer open. ‘Er ontbreekt een stopcontact’, mompelt hij, ‘dus die doet het niet’. Hij opent de koelkast. Ik trek hem aan zijn mouw. ‘Wat bedoel je met ‘die doet het niet’
Hij pakt zijn schroevendraaier en demonteert een kastje en laat mij een leiding? zien. ‘Kijk, die is leeg’. Ik geloof hem wel, dat is het probleem niet maar waarom ontbreekt er een stopcontact? Hij haalt zijn schouders op. ‘Dat zijn ze vergeten’. Wie zijn ‘ze’? Hoort ‘ze’ bij hen of is ‘ze’ de aannemer. Hij kijkt mij glazig aan. ‘Ik schrijf het op de bon’, zegt hij.

Troep

De kamer is bezaaid met dozen, houten planken, piepschuim en plastic. ‘Jullie nemen dat toch wel mee’. Het was bedoeld als een retorische vraag maar wie vraagt kan een antwoord verwachten. ‘Nee, dat doen we niet’. De jongere man zegt dat hij wel even gaat bellen en vragen of ze het toch niet mee kunnen nemen. Als hij terugkomt, zwijgt hij. ‘En’, vraag ik. ‘Nee’, zegt hij, we nemen het niet mee.

Ze geven een hand en sjokken zwijgend naar de gang. De deur gaat dicht. Vriendin en ik springen op het aanrecht en dansen ons vreugdedansje want de keuken is mooi. En we moeten dat rare vage gevoel kwijt. Dat gevoel dat stilte soms heel fijn kan zijn maar soms ook een oorverdovende impact kan hebben. Nee, dan de verhuizers. Morgen meer daarover.

Met z’n allen verhuizen

We kunnen, we mogen, we gaan. Zo gaat het ongeveer als na bijna twee jaar de appartementen worden opgeleverd. Heeft de aannemer nog bedacht om de blokken na elkaar op te leveren, uiteindelijk is er geen houden meer aan. We gaan. Met z’n allen.

Het meest onder de indruk ben ik van de man die namens de aannemer de klachten aan moet horen en op moet lossen en wel NU. Want we zijn nogal veeleisend, met z’n allen. Maar ook groot respect voor al die mannen, ja sorry, het zijn alleen mannen, die sjouwen, slepen, duwen, trekken aan keukens, trolleys, verhuisdozen, vloeren. Als ik in de middag in de berging ben hoor ik iemand breken. De man die ik net tegenkwam. Het zweet gutste van zijn voorhoofd, zijn adem ging zwaar en hij trok aan een doos die de lift in moest. Waarschijnlijk, hoogst waarschijnlijk lukt dat niet. ‘Godverder…., wat een pleurisgodvergetenklotebende is het hier’. Ik citeer niet letterlijk, het was veel erger.

Druk druk druk

Vrachtwagens rijden op en aan. Nieuwe keukens van verschillende bedrijven, verhuisbedrijven van Kriskras door het land, kleine wagens waarop interessante teksten staan als ‘bouwwonder’ of ‘bouwschade’. Loodgieters, installateurs, timmermannen, netwerkspecialisten, tegelzetters. En allemaal moeten ze met dezelfde lift. Beneden wordt er gebeld dat onze tafel er aan komt. Ik open de deur alvast. Een mijnheer stapt binnen en geeft een hand. ‘Wat kan ik voor u betekenen?’. Ik kijk naar zijn lege handen. ‘U heeft geen tafel bij u?’
‘Nee’, zegt hij, ‘maar ik weet alles van internet’. Hij moet een deur verder en ik geef zijn hand weer terug.

Dozen

Dan komt de tafel. In weer een doos.
Ik heb inmiddels een dozenfobie opgelopen. Dat moet slijten zegt de verhuistherapeut.

Buren

En overal komen we onze buren tegen. We vinden onszelf nog steeds de allerleukste etage van de drie blokken en tot nu toe is daar ook alle reden toe. We lopen bij elkaar naar binnen alsof het de gewoonste zaak van de wereld is en het leuke… het hoort ook zo te gaan. Want ook al hebben we allemaal muren, ramen, deuren, vloeren, het is allemaal anders en zo creërt ieder zijn eigen plek. Ami heeft ook onverwacht kennis gemaakt met een allerliefst buurhondje (vinden wij). Ami denkt er anders over. Er komt even helemaal niets en niemand meer van haar soort haar huis binnen. En misschien is het ook tijd dat zij eindelijk weer haar eigen mandje kan vinden. Wij hebben ons mandje al helemaal gevonden. Een heerlijk mandje.

Foto’s in mijn hoofd

Ik rijd deze weken regelmatig in buurten, straten van ‘vroeger’. Waar ik speelde, naar school ging, sportte, woonde, werkte. Grappig hoe soms herinneringen van toen het verhaal rond maken.

Bijna zijn we Rijswijkers. Zo dicht bij Den Haag voelt het voor mij nog steeds Haags, dat zal moeten slijten. Maar ik rijd op de weg waar ik vroeger ook kwam. Langs het ‘werk’ van mijn vader. Waar hij, toen hij als kleine zelfstandige geen melkboer meer kon zijn, ging werken in een bejaardenhuis als magazijnmeester. Geen grote baan maar met die baan kon hij zijn gezin onderhouden.
Een trotse man die zich onmisbaar voelde en maakte. Die zijn werk zo groot maakte dat hij het kon verdragen dat hij meester was in een kelder.

Boogaard

We doen nu boodschappen in de Boogaard waar ik ook vroeger vaak kwam. Een mooi winkelcentrum toen, nu treft me vooral de vergane glorie van mensen en gebouwen. Het lege, overdekte winkelcentrum klinkt hol en de haastige voetstappen zijn allemaal op weg naar buiten waar nog wel een leven is.

Leyweg

En dan wonen we nu tijdelijk in de buurt van de Leyweg. Tweelingzus en ik fietsten regelmatig daar naar toe om boodschappen te doen voor onze moeder. De HEMA, Favoriet, V&D. Later, toen tweelingszus een brommer had en ik niet, ruziede we vaak over wie mocht rijden. Ik met mijn grote bek die zelf geen brommer durfde te hebben maar wel alles wilde bepalen. Ik had mijn zus nodig om ‘groot’ te zijn.

Taart

Maar beiden hadden wij maar een doel voor ogen. Het gelukkig maken van onze moeder. Door boodschappen te doen, het huis op te ruimen, ‘geluk’ te geven. Bij de HEMA zagen wij een taart. Niet eens duur. Hoe trots waren wij dat we een taart konden kopen voor haar. Nog nooit hadden we zoveel haast om thuis te komen. Met stralende gezichten gaven we haar de taart waarna ze onbedaarlijk begon te lachen.
We hadden geen taart maar een taartbodem gekocht. We dropen af.

Als je mekaar niet meer vertrouwen kan…

Vertrouwen vind ik misschien wel het hoogste goed op aarde. Ik vertrouw tegen de klippen op. In de mens, in de goedheid, in de waarheid. Dit klinkt allemaal hoogdravend maar vertrouwen zit ook in het hele kleine. In ‘een afspraak is afspraak’, een buur, een bedrijf, een vriend.

Wij hadden voor ons huis de behanger van ver gehaald. In het kader van ‘wat van ver komt is lekker, kwamen onze behangers en schilders uit Almelo. Het gaat te ver om hier uit te leggen waarom maar de heren hadden er een rit van 2,5 uur opzitten voordat ze bij ons aan de klus begonnen. Aardige mannen. Vader en zoon. Grappend en grollend. ‘Alles komt goed mevrouw’.

Een dag later zien we het resultaat. Het ziet er goed uit. ‘Het moet nog drogen’ zegt de vader, ‘dat komt helemaal goed’. We geven de mannen een flinke tip die de zoon eerst nog bezwaard wegwuift. Hoe lief, denken wij.

Twee dagen later

Als we twee dagen later het resultaat bekijken valt het tegen. Vlekken, slordig, druppels, niet afgekit, kleur is niet dekkend genoeg. Als ik aan bekenden vertel dat ik de forse rekening al direct betaald heb krijg ik meewarige blikken. ‘Nu kan je het wel vergeten’. ‘Zie nu maar eens je recht te halen’. Ik schrik. Denk, dat heb ik weer, stomme kip. En elke keer zien de muren er nog erger uit dan eerst. Ik mail. Ik bel. Er is haast geboden want de vloer wordt gelegd.

Geen gezeik

De behanger belt. ‘Natuurlijk komen wij het in orde maken. De vloer wordt toch gelegd, dan komen wij nog voor die tijd’. Ze maken weer die rit uit Almelo en stellen ons gerust. Ik wijs met de woorden ‘misschien wel gezeik’ op een klein dingetje. ‘Niets gezeik’, zegt hij. ‘U heeft gelijk’.
Als wij in de middag terug komen ziet het er absoluut beter uit. Een paar kleine dingetjes maar ach… Ik stuur hem een appje. Bedank en vraag advies om een paar kleine dingetjes zelf op te lossen. ‘Niets ervan’, zegt hij. ‘We komen terug om het op te lossen’.

Ik ben misschien nog wel blijer met het het feit dat ik vertrouwen mag hebben dan met de geverfde muren.