CategoriePersoonlijk

Als we door de mand vallen


Ik houd van groepen. Om onderdeel te zijn van een clubje mensen die iets delen met elkaar. Een groep is een fascinerend fenomeen. Daarom kijk ik ook nu weer naar Utopia II. Een groep laat zien wie je bent. En dat valt dikwijls een beetje tegen.

Nu is het niet zo dat je mij gewoon in een groep kan zetten en ik gelukkig ben. Verre van dat. Ik snuffel en trek me terug. Maar er komt een moment dat er een ander aan jou snuffelt, dat het goed voelt. Dan is er een opening gevonden om naar binnen te gaan. Binnen in de groep.

Welke groep

Het maakt nogal uit in welke groep je terecht komt. Je hebt de vrije groep, de groep die jij kiest om bij te horen. En je hebt de onvrijwillige groep: collega’s, mede-studenten, (schoon)familie. De onvrijwillige groep is interessant. Want hoe voeg je je naar iets als het gemeenschappelijk doel niet bepaald is door hartstocht en emotie?

Utopia II

In het nieuwe Utopia zou het helemaal anders worden dan de eerste keer. Echt een weg vinden naar een nieuwe samenleving. Na een week of wat kunnen we concluderen dat het ook dit keer niet gaat lukken. Want: er doen mensen mee. Het programma toont haarfijn onze valkuilen en mankementen. Onze kleinheid, onze ego’s, onze zoektocht naar  macht. Dat is interessant om te zien. Hoe iemand die sympathiek oogt, later een kleine dictator lijkt te zijn. Hoe iemand die eerst een vreemde eend lijkt, nog steeds vreemd blijft maar wel je hart af en toe raakt.

Interesant

Utopia zou gaan over een ideale samenleving maar hoe krijgen we die als niemand gevraagd wordt naar zichzelf te kijken? Je zelf terug te horen of anderen te laten horen wat je werkelijk ergens van vindt? Als je een dagdeel aan groepstherapie zou besteden wordt het plotseling heel boeiende televisie. Niet alleen om mensen door de mand te zien vallen maar ook weer uit de mand te zien kruipen.

Utopia zou wat mij betreft veel meer mogen gaan over groepsprocessen. Over een weg vinden samen. Over accepteren en snappen waarom we soms dingen doen die niet zo fraai zijn. En daar van leren.

Dat is volgens mij waarom wij als mensen op deze wereld zijn gekomen. Om te leren en te groeien. En noem me naïef, maar dat is mijn utopia.

 

Hannah Gadsby: om te huilen. Zo goed.

Nooit van haar gehoord. Hannah Gadsby. Een comédienne uit Australië. Haar nieuwe show Nanette is nu te zien op Netflix en ik heb gekeken, werd verpletterd en ga het vandaag terug kijken. Om me opnieuw te laten verpletteren.

Een uur lang staat ze achter de microfoon om  grappen te maken. Over haarzelf, over witte mannen, over de mythe van Kunst en mannen in kunst. Maar het is vooral haar woede die me raakt. De woede als ze stopt om comédienne te zijn en besluit om niet langer grappen te maken over haar leven maar haar verhaal te vertellen.

Gays can party

Haar lef is ontroerend. Haar rauwe grappen over groot leed wat haar is aangedaan. En herkenbaar. Zeker hoe ze ‘my people’ neerzet. ‘My people’, de gays die feestend en hossend door het leven gaan. Een levensstijl in een parade van gekkigheid en geveinsde blijdschap. Ze vraagt zich: ‘where are the quiet gays?’
En ik denk aan mijn eigen coming-out en de wens om er bij te horen.

Mijn eerste roze zaterdag is een levenlang terug. Ik deed mee, ik was er maar voelde me op geen enkele manier één van hen. De excentrieke uitingen, de vrije knuffels en obscene gebaren, de choquerende gedragingen. Hoe saai was ik. Zelfs hier hoorde ik niet thuis. Ik heb het een keer of drie geprobeerd, zo’n dag om alles door een roze bril te zien maar ben ergens afgehaakt. Maar nooit, nooit heb ik gedacht dat het aan hen lag. Aan de schreeuwerige homo’s die hossend van verdriet door de straten trekken en op het plein gezamenlijk meezingen met steeds weer een andere homomoeder. Ik voelde schaamte over mezelf. Om er niet bij te kunnen horen. Ik was saai.

Monoloog in woede

Gadsby vertelt in haar show dat ze met comedy gaat stoppen, omdat ze haar pijn niet langer wil weglachen. En ze spreekt de zaal toe die stilvalt soms. Ze spreekt de witte mannen toe omdat ze wit zijn en macht hebben. Ze spreekt de grote mannen in de Kunst toe omdat ze zich vrouwen toe-eigenen als toys voor boys. Ze spreekt ‘my people’ toe om hun zogenaamde feedback op haar show.

Nog nooit heb ik iemand gezien die het aandurft om in een humoristisch bedoelde show een stilte te laten vallen waarbij je bijna de tranen hoort vallen. Waarbij je bijna de mannen, mensen daar hoort denken: ‘come on, light up’. Het simpelste antwoord als je weet dat iemand gelijk heeft maar je jezelf niet zo’n lul wilt voelen.

Ik ga opnieuw kijken om te leren.

 

 

Hoe vaak zeggen we gedag?

Gisteren was het de laatste dag voor de ‘wijkers’. De mensen van de wijkredactie op de krant. De rubriek verdwijnt en daarmee ook de mensen die er aan werkten. Nooit eerder heb ik mensen met een stillere trom zien vertrekken. Grote kans dat pas na een week of wat, de lege bureaus opvallen aan het einde van de zaal.

Wij, de wijkcollega’s, kijken elkaar aan met toch een blik van spijt. Jammer dat het over is. Apart hoe snel je went aan elkaar, aan nieuwe collega’s, aan mensen die lukraak bij elkaar worden geplaatst en dan toch gewoon een team vormen. Dat vind ik altijd het verrassende aan groepen. Hoe we compleet verschillend een eenheid vormen door wat er niet toe doet, los te laten.

Afscheid

We praten over afscheid, over dat niet willen, over niet los willen laten, om vast te willen houden aan iets wat zekerheid geeft. En ik realiseer me hoe vaak ik al afscheid heb genomen. Soms met een ferme handdruk, vaak met een knuffel, soms met een traan of met woede. Maar ook een enkele keer zonder afscheid te nemen, te vluchten en te rennen.

Dag

Ik heb geleerd dat behoorlijk afscheid nemen belangrijk is. Dat je door oprecht ‘dag’ te zeggen ruimte schept om te begroeten en te ontvangen. Dat is ook het mooie van het woord ‘dag’. Het is een komen en gaan in één woord, ontvangen en geven, omarmen en loslaten. Afscheid nemen is vertrouwen. Vertrouwen op nieuw en op wat er komen gaat. Vertrouwen op jezelf. En zolang we onszelf niet met stille trom verlaten is er eigenlijk niets aan de hand.

Ik rook niet meer

Al zeker een jaar of zes ben ik een ‘e-smoker’. Ook niet goed en gezond maar een stuk beter dan ‘the real thing’. Toch wist ik me nooit raad met vragen op medische formulieren als ‘rookt u’? Volmondig ‘nee’ kon ik niet zeggen, volmondig ‘ja’ wilde ik niet zeggen. Maar na gisteren weet ik het zeker. Ik rook niet meer.

Herken je dat? Dat je thuis weggaat met een vaag gevoel van iets vergeten. Dat je in je hoofd het rijtje opnoemt van vergeetbare dingen om te concluderen dat je alles bij je hebt. Om dan, op een moment, er achter te komen, dat je wel iets vergeten bent: geld, zonnebril, dropje, batterij.

Gisteren vergat ik mijn batterij, een essentieel onderdeel van mijn e-sigaret. Als een echte verslaafde reageerde ik met ongeloof om daarna de hele wereld de schuld te geven van mijn ongelukkig-zijn. Ik koos voor een makkelijke oplossing omdat bietsen niet echt in mijn aard zit. Ik kocht een pakje sigaretten.

Vreemd en vies

Ik pakte het witte ding tussen de vingers, vroeg mijn buurvrouw een vuurtje en trok er wat onwennig aan het ding. Om eigenlijk maar één ding te vinden: wat is dit smerig. Kloppend hart, misselijk en dat alles met een gevoel van iets doen dat niet mag. Ik heb het ding uitgedrukt.

Ik ken veel mensen die een e-smoker proberen om dan uiteindelijk te falen. Blijkbaar gaat het niet alleen om de nicotine maar is er iets anders in het witte stokje waar we gek van worden. Wie heeft trouwens ooit bedacht om een sigaret wit te maken? De kleur van onschuld en zuiverheid. Slim.

Blijft de vraag wat er in een sigaret zit, behalve nicotine, dat het zo lastig maakt om te stoppen. Want 1) het is vies, 2) het stinkt 3) het is een matennaaier.

Formulier

De volgende keer kruis ik toch iets zekerder het vakje ‘nee’ aan als er gevraagd wordt of ik rook en zo ja, hoeveel dan. Als er ruimte is zal ik er handmatig bij zetten dat ik wel nicotine tot me neem. Aan de andere kant, wie vult er in dat ze wel een pilletje nemen, een blowtje doen, een glaasje drinken, te hard rijden, te veel werken, te ongelukkig zijn?

Maar het meest verrassende was de herkenning van het gevoel van toen. Hoe ik en jij waarschijnlijk, ooit een eerste sigaret opstaken. Dat rare ding te voelen tussen je vingers, een vieze smaak, een hoestbui, stank, rook, onbenul. En dan doorzetten alsof je over een winnaarsmentaliteit beschikt. Om er dan jaren later achter te komen dat er van die winnaarsmentaliteit weinig meer over is.

Bijna perfect

Onze reis naar Sitia verliep perfect. Nergens wachten, geen lange incheckbalie. Zelfs onze koffer komt als eerste van de bagageband, waardoor we ook als eerste onze auto kunnen afhalen.

De routebeschrijving naar ons huis was qua tekst zo kort dat ik er in mijn hoofd ook een korte reis van had gemaakt. Ik weet nu dat ‘alsmaar rechtdoor’ ook lang kan duren. Maar het maakt niet uit, zeggen we in goede harmonie tegen elkaar. Dan zien we ook heel veel van Kreta. Dat klopt.

250 meter ervoor

Dat is gek. Dat in een routebeschrijving staat dat je zoveel meter vóór iets, een flauwe bocht naar links moet maken. Om te weten waar dat ‘iets’ is, zul je er toch eerst langs moeten om dan alles in tegenovergestelden richting over te doen. Maakt niet uit: we hebben vakantie.
Google maps biedt uitkomst en zo komen we uiteindelijk bij onze bestemming? Toch? Wat denk jij? Er hangt geen bord. Er loopt geen mens. Op goed geluk pakken we één van de zeven ingangen. De weg loop naar beneden, steil naar beneden. Onze huurauto kan makkelijk naar beneden, maar kan ‘ie ook omhoog?

Neen. Dat kan ‘ie niet met dat lullige motortje er in. We komen Maria tegen die geen Engels spreekt. We moeten terug, zij loopt voorop.
Vriendin drukt het gaspedaal wat verder in en we strompelen omhoog. De motor valt drie keer uit. Maria wacht glimlachend op ons. Vriendin en auto bereiken het kookpunt. Vriendins kookpunt ken ik weinig.

Ons huis is ‘C’. Ons parkeerplekje is ook alleen maar te bereiken door eerst naar beneden en dan vol gas naar boven te stormen om dan op een onmogelijke parkeerplaats uit te komen. Maria zegt dat het moet.

Op de helling vallen we drie keer stil. De auto stinkt, heel Sitia stinkt door de aangebrande lucht van een motor met een kort lontje. Maria wacht en zegt dat het goed is.

Het doorgaans zeer opgewekte karakter van Vriendin verdwijnt als sneeuw voor de zon. Van de spanning schiet ik in de lacht. Dan zegt ze ijzig kalm: ‘oké, je bedoelt dat jij het beter kunt? Dat jij voortaan het autogedeelte voor je rekening neemt?’
Alles in me schreeuwt ‘nee’, want dat kan en wil ik niet. Maar Vriendin kijkt onverstoorbaar vastberaden. Ze stapt uit.

Later, veel later op een Grieks terras, lachen we ons de tranen uit de ogen. Vanaf nu hebben we een ‘toon’ en hebben we de woorden om een nieuwe herrinnering te maken. Natuurlijk laat ze mij niet rijden. We zouden allebei wel gek zijn.

Dotan is de Sjaak

Er was nieuws. Dotan heeft een trollenleger ingezet om zichzelf groter te verklaren dan hij is. Iedereen duikelt over elkaar heen om hem nog meer naar beneden te halen. Het is nu wel genoeg, vind ik.

Hoe meer kun je kruipend door het slik je excuses aanbieden? Dat is best lastig als grootheden van RTL Boulevard op je rug stampen. De schijnheiligheid, die van Dotan maar zeker ook van hen die veroordelen, heeft gewonnen.

Praatjes maken geen plaatjes

Jammer dat Dotan daar pas later achter kwam. En de mooie verhalen van hem als mens, als weldoener, jammer. Jammer dat je denkt daarmee iemand te worden die je niet bent. Maar Dotan zal niet de eerste en zeker niet de laatste zijn. Ik ben geen fan van zijn muziek maar was het wel van hem. Puntje er af. Maar niet meer dan een puntje. We maken fouten, doen domme dingen. Had ik maar, was ik maar… Hij heeft geen moord gepleegd, niemand verkracht, geen bom gegooid. Tenminste niet bij anderen. De bom ligt onder zijn eigen carrière, de moord is op zichzelf en de verkrachting net zo.

Hij leegt al zijn social-media-accounts en al zijn herinneringen waarvan hij waarschijnlijk zelf niet eens meer weet welke waar zijn en welke verzonnen. Dat is triest genoeg.
Ik baal veel meer van de hypocrisie.

En Dotan is de Sjaak.

Dat zou ik doen. Mijn naam veranderen in Sjaak. En dan vooral nieuwe muziek gaan maken en je engelengezicht met dat diepe litteken er op als nieuwe profielfoto gebruiken.

Hei- en Boeicop

Voor de krant tikte ik een stukje. Niets bijzonders. Een dame uit Hei- en Boeicop kwam ergens een lezing geven. Over punniken, over ganzen, ik weet het niet meer. Maar ik bleef hangen bij Hei- en Boeicop. Nooit van gehoord. Maar wat leuk moet het zijn om te zeggen. Daar woon ik. In Hei- en Boeicop.

Ik google op het dorp en lees: Hei- en Boeicop is een klein dorp en voormalige gemeente in de gemeente Zederik, in de Nederlandse provincie Zuid-Holland. Het dorp heeft 935 inwoners en heeft 401 woningen. 

Zuid-Holland? Daar woon ik. Waarom heb ik nog nooit van dat dorpje gehoord. En 401 woningen… dat zijn ongeveer net zoveel woningen als in mijn straat. En 935 inwoners. Die ken je dan allemaal persoonlijk lijkt me. Dan heb je echt geen Facebook meer nodig.

Heicoppers

Ik lees een interview met Hannie en Corrie; echte Heicoppers. “Voor een dorp met 1.000 inwoners zijn de voorzieningen in Hei- en Boeicop uitstekend. Er staat een nieuwe basisschool en er zijn tal van actieve verenigingen, zoals de voetbal, het kinderkoor en de Oranjevereniging. Ook is er een sporthal waar je kunt gymmen, volleyballen of bijvoorbeeld zumbaën. Hoeveel Heicoppers doen er aan zumba?

Nog meer feitjes

Ik raak niet uitgelezen. Van de 960 inwoners zijn er 155 ouder dan 65 en zijn er 35 allochtonen. Dat lijkt me heel overzichtelijk. Op 9 april reed er een ambulance naar de Akkerstraat en een week later naar de Pleinstraat. De luchtvochtigheid is er vandaag 93%. Ik bedoel maar.

Ik ga er een keer naar toe. Dat weet ik zeker. De foto’s die ik zie zijn prachtig. Water, landerijen, landelijk. Een een begraafplaats met 216 graven. En toevallig dan weer kom ik op een overzicht met alle begraafplaatsen in Nederland. Waar je gewoon een naam ik kan tikken en kan zoeken naar mensen van weleer. Ook hier kom ik een keer terug.

 

 

 

Toen er nog geen oorlog kwam

Als kind al realiseerde ik me wat een bofkont ik was. Om te leven in een wereld zonder oorlog. Mijn wereld was nog klein: het was mijn vader en moeder, mijn zusjes en broertje. Later werd de wereld de stad waar ik woonde, het land waar ik leefde. Wat een geluk dacht ik toen, dat wij nooit, nooit oorlog zouden hebben.

Gisterochtend word ik wakker en zoals altijd bekijk ik direct het nieuws. ‘Amerika vuurt kruisraketten af in Syrië’. Mijn hart slaat even over. Wat gaat er gebeuren, wat staat er te gebeuren? Ik scroll door naar ander nieuws, beter nieuws alsjeblieft. Gelukkig iets over Dotan met zijn nep-accounts.

In je slaap

Ik bedenk dat als er in onze nacht, toen we veilig sliepen, er ergens raketten zijn afgevuurd. En dat ik dat niet wist. Dat ik het dus misschien ook niet bewust zal meemaken als die raketten hier een keertje vallen. Dat het zomaar, van de een op de andere dag, voorbij kan zijn met deze ‘verrukkelijke’ wereld. Verrukkelijk natuurlijk tussen aanhalingstekens want zo verrukkelijk is het niet en is het waarschijnlijk ook nooit geweest.

Maar mijn en jouw wereld is eigenlijk toch verdomd verrukkelijk geweest. In ons landje met zijn petieterige gezeik over non-dingen. Het belangrijkste nieuws is altijd nog het weerbericht.

Kinderen

En ik denk aan de kinderen die nu opgroeien. Net zo onbevangen als ik destijds. Met belletje blazen en kiekeboe spelen. Hoe ik destijds dacht aan mijn ouders die wel de nasleep van de oorlog  als kind meemaakten. Aan de generatie voor hen die er midden in zaten.
En toen wij, gelukkige wij. In een wereld zonder oorlog. En ‘onze’ kinderen kennen dat geluk ook. Niet bewust en dat is goed. Zo zou het voor alle kinderen moeten zijn. Maar we weten allemaal hoeveel kinderen er opgroeien in een wereld die om hen heen afbrokkelt. Die rennen voor hun leven om in de rustige tussentijd die er soms is, een potje te voetballen.

En ik merk hoe bij mij een bericht over kruisraketten, over bomaanslagen, over IS, nu al minder heftig binnenkomen dan toen ooit het eerste bericht. Toen mijn kinderlijke blik op de wereld plotseling instortte. Hoe de dood mijn wereld binnenkwam.

Geef mij een sprookje om in te geloven. Geef iedereen een sprookje om in te geloven.
(Vrij vertaald naar Vasalis: ik zoek een misverstand om te geloven).

 

Facebook-pixel-plug-in? PLUG OUT

Wie op de site van zijn zorgverzekeraar kijkt of een bepaalde behandeling wordt vergoed, of waar hij terecht moet voor die behandeling, verwacht niet dat Facebook meekijkt. Maar dat gebeurt bij meerdere zorgverzekeraars wel, blijkt uit onderzoek van de NOS.

Ik kan werkelijk veel hebben. Kan me zowat van alles voorstellen maar bij dit soort berichten val ik zelfs stil. Is het de schuld van Facebook of van onze zorghebbende zorgverzekeraars? Misschien moeten we het wel een nieuwe ziekte noemen: ‘dokter, ik heb een facebook-pixel-plugin, een sluipmoordenaar. Kunt u het outpluggen en wat zijn de kosten daarvan?’

Stel

Stel ik zoek naar een vergoeding van genitale wratten, colitis, zwemmerseczeem, rosacea, tonsel stones, aambeien of gewoon een lopende neus. Of een depressie van formaat, een vraag over euthanasie, urineverlies? Grote kans dat ik straks allerlei oplossingen voorbij zie komen. Van smeerseltjes, pilletjes tot verwijzing naar de Levenseindekliniek. Als ik google op Griekenland of Eiersnijder, komen er allerlei advertenties voorbij waar ik zelfs verwezen zou kunnen worden naar een winkel in Athene waar ze eiersnijders verkopen. Ik ben dat echt wel zat. Niet Facebook of Twitter maar al die marketing-mijnheren en -mevrouwen die met hun grijpgrage handen binnendringen in onze levens.

Waarom

De grote vraag is waarom zorgverzekeraars en andere instellingen dit willen. Uit het nieuwsbericht van de NOS lees ik:
Menzis heeft naar aanleiding van deze berichtgeving besloten om zo snel mogelijk te stoppen met het gebruik van de pixels. De verzekeraar gebruikte de tracking-pixels voor marketingdoeleinden.
Maar ook op  de sites van de VVD en Forum voor Democratie tracking-pixels te vinden. Ook verschillende media hebben trackers, waaronder NU.nl, De Volkskrant en NRC. En Lubach, eat your heart out: een aantal publieke omroepen gebruikt tracking-pixels, waaronder de VPRO.

Kappuh

In goed Haags zou ik wellen zeggen: kappuh hiermee. Ik wil geen tracking pixel in mijn lijf, in mijn hoofd, op mijn computer. Al die ophef over Facebook en onze privacy is niet voor niets. De beerput gaat open en moet open. Al die gore gezwellen, etterende puisten en inpluggende verleidingstechnieken. KAPPUH.

 

Privacy is een grap. Een slechte grap

Ik heb lang nagedacht over een goede kop boven dit stukje. Dat heb je soms. Dat je je opeens afvraagt: wat wil ik eigenlijk zeggen’. Een goede kop had ook geweest: Bye Bye Lubach. Aan het eind van mijn blog zal ik waarschijnlijk pas zelf weten wat de kop had moeten zijn.

Want vandaag is de dag dat Arjen Lubach van Facebook gaat. En met hem zijn volgers. En vele anderen die vinden dat er eind moet komen aan het doorverkopen van jouw en mijn gegevens. En gek genoeg maak ik me drukker om de oproep van Lubach dan om het gedoe met Facebook. Ik verdwijn dus niet van Facebook. Waarom niet? Ben ik verslaafd, kan ik niet zonder. Misschien. Wellicht.

Ergernis

Ik weet niet wat het is met Lubach en mijn persoontje (die hij niet kent). Ik kan zelfs niet zeggen dat ik niets met hem heb want ik maak me druk over hem. Is het dat pedante? Dat ‘ik weet hoe het zit’? Dat ‘ik zal het jullie eens uitleggen?’
Ook. Maar vooral het feit dat ik niet weet wie die Arjen Lubach nu eigenlijk is. Dat zijn masker altijd over zijn gezicht lijkt te hangen. Dat hij een oproep doet en dat daarom duizenden volgen. Wat als hij oproept om op een partij te stemmen, of juist niet?

Privacy

Maar genoeg over Arjen Lubach. Laten we het over privacy hebben. Het is niet zo dat het me niet interesseert. Ik heb gisteren gekeken hoeveel apps van mijn facebook-account gebruikmaken en oeps: 94 stuks. Ook apps die ik helemaal niet ken of waarvan ik weet dat ik ze gebruik. Minstens 90 heb ik er verwijderd. Ik kijk ook beter uit wat ik wel of niet op Facebook zet of twitter. Maar ik maak me geen illusie over mijn privacy. Welke privacy? Als ik bij de AH bloemkool koop, krijg ik een aanbieding van bloemkoolsoep. Als ik iets zoek over koffie, krijg ik reclame van van koffieapparaten.
Ik krijg zelfs een melding dat sommige bedrijven niet blij zijn dat ik een adblocker heb geplaatst. Omdat ze dan niet meer kunnen doen wat ze eigenlijk wilden doen. Mij inlijven.
En wat te denken van mijn geregistreerde ov-chipkaart? Mijn bankpas? Mijn goed bewaarde wachtwoorden…

Mark Zuckerberg

Facebookbaas Mark Zuckerberg ligt onder vuur. De man wordt terecht of niet op de pijnbank gelegd en moet door het stof. Het is goed dat er zoveel ophef is over onze privacy, over bedrijven die er misbruik van maken, over hoe we met z’n allen gemanipuleerd worden. Hopelijk gaat er nu iets gebeuren waardoor we ons weer iets veiliger wanen. Maar  social media zal nooit meer verdwijnen. Na Facebook komt er iets anders dat beweert ‘veilig’ te zijn. Maar ook dan zijn er weer slimmere trucs om ons te misleiden.

Het is niet Facebook, Twitter, Instagram of noem maar op. Het is de wereld. Het zijn ‘wij’ die er een puinhoop van maken. Zonder Twitter zijn er nog steeds eikels die van alles vinden. We worden continu beïnvloed. Door de kranten die we lezen, de programma’s die we zien, de informatie die wij betrouwbaar achten. Door de mensen met wie we omgaan of juist niet omgaan.

En door onze manier van leven. De behoefte om te hebben die groter is dan dan de behoefte om te zijn.