CategorieHond

Ik wil niet, ik wil niet, ik wil niet

Oost-Indischdoof, of Japansdoof. Dat is ze. Vertelde ik laatst al dat Ami er aan moet geloven met stevige wandelingen en minder snoepen. Ze weet het nu, ze trapt er niet meer in.

Gisteren was ik er getuige van hoe Vriendin-Vrouwtje enthousiast de hond probeert te verleiden mee naar buiten te gaan. Haar stem verraadt vooral hoeveel zin zij heeft om te wandelen maar Ami kent de consequenties. Zij. Moet. Mee.

Ami ligt in haar mand. Ze kijkt naar Vrouwtje met een blik van ‘are you talking to me’. Ze probeert zich zelfs weer slapend te houden. Vriendin vraagt het vriendelijk, lachend, dwingend, grappig maar ‘uit’ betekent ‘uit’ en Ami heeft gewoon geen zin. Vriendin zet haar ‘ik-ben-de-baas-stem’ op en warempel, Ami komt overeind. Zet een paar stappen uit de mand, rekt zich uit en terwijl Vriendin haar lovende woorden toezingt loopt Ami naar de balkondeur om demonstratief de andere kant op te kijken.

Blikken zeggen alles

Als je niet kan praten zijn er gelukkig je ogen waarmee je alles kunt vertellen. Ami kent alle blikken. De blik van ‘arme-ik’, de ogen zielig naar beneden gericht, de blik van ‘ik-weet-niet-waar-je-het-over-hebt’ de ogen eigenwijs terug starend. Vriendin is er niet gevoelig voor. Aan haar zucht hoor ik dat het serieus is en Ami weet het ook. Ze staat, eveneens zuchtend op. Vriendin loopt optimistisch naar de gang om de riem te pakken. Ami loopt naar de eettafel en kiest een van de zes stoelen uit om zich onder te verstoppen.

Eind goed al goed

Uiteindelijk lukt het natuurlijk elke keer weer. Met een riem om je nek kan je geen kant op. Als ze na een dik uur terug komen hijgt Ami alsof ze de marathon heeft gelopen. Stond ze voorheen direct bij de kast wachtend op een beloning, zelfs daarvoor is ze nu te moe. Ze drinkt wat en zoekt een lekker ligplekje uit.

Een riem om mijn nek. Ik zou het kunnen vragen aan Vriendin.

Lopen, kreng

Ami is te dik, te zwaar, te lui. En een pondje bij een hondje gaat er ook niet makkelijk af, maar het moet. Het is allemaal onze schuld. Correctie: mijn schuld. Een flintertje kaas, een kruimeltje koek. Het moet veranderen.

‘Ami, kom, we gaan uit’.
‘Ami, kom dan, we gaan uhuit’.
‘Ami, kom eens kijken, kom eens lieverd’.
‘Ami, kom. Nu’.

Er gaat één oog open, het tweede oog volgt. Ze staat op en rekt en strekt en komt mijn kant oplopen. Hèhè. Maar na vier stappen gaat ze zitten en kijkt me aan met een blik van ‘wat wou jij nou helemaal’.

GA NOOIT ZELF NAAR DE HOND TOE. DE HOND MOET NAAR JOU TOEKOMEN.

Ik loop naar Ami en doe de riem om. Ze staat op en wiebelkont met me mee naar de lift. In de lift gaat ze zitten. Als we buiten zijn begint het grote protesteren. Ze zit en hangt zichzelf bijna op aan de riem. Als ik een stap terug doe denkt zij dat ze haar zin krijgt. ‘Ha, we gaan weer naar binnen’. Ik trek haar met me mee richting park. En ik zie haar denken… dat wordt de lange wandeling vandaag. Mooi niet.

Vrouwtjes zijn de baas

Ik ben geen baas. Niet van mensen, niet van beesten. Maar het moet nu wel. Ik houd de lijn kort en brom bijna militaristische bevelen. ‘Loop’, ‘mee’, ‘hup’ en complimenteer haar als ze naast me loopt. Een straf tempo hebben we, Ami en ik. En het ziet er uit alsof ik de hele weg alleen maar schreeuw ‘LOOP KRENG’. Ami weet niet dat ik net zo’n hekel aan lopen heb als zij. Dat ook iemand tegen mij zegt ‘lopen kreng’.

We zullen doorgaan

Vriendin is een wandelaar. Het liefst uren achtereen en zo’n hondje had ze ook verwacht. Nu krijgt ze er een. Ami leert dat protesteren geen zin heeft en we zien ook dat ze na de eerste strubbelingen uiteindelijk mee beweegt in de goede richting. Vriendin bedenkt lange wandelingen in de buurt die ik ook braaf volg. Maar elke keer komt ze thuis met de woorden ‘ik ben nog een stukje verder gegaan vandaag’.
Ami en ik kijken elkaar aan. ‘Lekker dan’.

‘Voor een Shiba is ze heel lief’

Ami loopt al drie weken een beetje mank. Uitgesloofd met een wandeling die we maakten. Haar achterpootje trekt ze op en op drie pootjes hinkt ze van de bank naar de keuken. Toch maar naar de dierenarts deze week.

Als we binnenkomen mag ze eerst op de weegschaal. Ami is te zwaar. Elk jaar een kilo is voor mens maar vooral hond(je) te veel van het goede.

We kijken zwijgend naar de uitslag en kijken dan elkaar fronsend aan. Maar de vrouw bij de receptie roept juichend dat ze gelukkig niet is aangekomen. Ook niet afgevallen dus. Ondanks de boontjes en de langere wandelingen.

Wandelingen

Het valt ook niet mee om met Ami lange wandelingen te maken. Het liefst zou ze een uurtje of twee snuffelen en niets anders dan snuffelen om uiteindelijk te kunnen snaaien. Dat is haar reden tot bestaan. We sleuren een onwillig hondje met ons mee wat andere mensen erg grappig vinden. ‘Ze heeft er echt zin in, heh?’
De bal die ik wegtrap kan ik zelf halen. De stok die ik weggooi, idem. Als Ami niet meer verder wil, wil ze niet meer verder. Mevrouw gaat zitten. En al lopen wij bij haar weg, de hoek om, gespannen kijkend tussen de takken van de boom of ze ons achterna komt rennen…. neen. Mevrouw zit nog steeds te zitten. Reuze interessant wat er om haar heen gebeurt. Als we uiteindelijk teruglopen, we moeten toch een keer naar huis, staat ze pas op als we bij haar zijn. ‘Terug’, zegt ze tevreden.

Dierenarts

De dierenarts en de assistente benadrukken een paar keer dat ze voor een Shiba heel handelbaar is. Terwijl Vriendin haar koppie vasthoudt, knijpt de man in pezen en gewrichtjes. Kermend en mopperend laat Ami weten dat ze niet in haar sas is. De dierenarts kan gelukkig niets vinden. We krijgen tabletjes mee om het een weekje aan te kijken. ‘Ik zou haar niet laten rennen’, zegt de dierenarts.

Oei, dat wordt moeilijk.


Toen onze mop een moppie was

Ami. Geen straat konden we over zonder ‘oh’s en ah’s’ over onze viervoeter. Ze werd liefkozend ‘vosje’ genoemd, kinderen wilden haar meenemen, volwassen mannen smolten als sneeuw voor de zon.


En wij smolten met hen want ze was van ons, hoorde bij ons. Maar sinds wij in de Drie Hofdames wonen, is zij zich ook gaan gedragen als hofdame.
In ons vorige huis, een rijtjeswoning in een rustige straat, was zij ook al een diva, geen ontkennen aan. Ze voelde zich veilig. Gek op mensen en andere honden, ach, ze negeerde ze gewoon, trok nog net haar neusje niet op.
Maar in het appartementencomplex komen we een andere kant van haar tegen. Niet alleen denkt zij eigenaar te zijn van het appartement, maar is ze het ook van het hele gebouw, erger, van de hele wijk.

Buurhondje

De eerste kennismaking met het directe buurhondje was niet fijn. Toen wij de deur opende naar de hal stond ze oog in oog met de ‘indringer’ en daar was ze niet van gediend. Ze gromde, trok naar lippen op, gedroeg zich kortom niet als de nieuwe buurvrouw die een goede indruk wil maken. Wij kregen haar ook niet rustig, integendeel, de leeuw in haar was los.

De volgende ontmoeting met een ander buurhondje was toen we uit de lift stapten. Stond daar een roodharige dame blij te wachten om naar binnen te gaan, onze dramaqueen liet dat niet toe. ‘Mijn lift’, gromde ze lelijk.

Geen blaffer

Ami is geen blaffer. Niet als de deurbel gaat of als er vreemde mannen binnenkomen. Ze kijkt, ruikt en gaat weer liggen.
Nu ziet ze vanaf het balkon mensen wandelen, kinderen spelen en ze is er niet van gediend. Ze blaft, jankt als een wolf.
Het uitlaten van een hond is leuk als de hond uitgelaten wil worden. Nu sleep ik een onwillig, koppig exemplaar met me mee. Om de twee stappen staat ze stil, kijkt links en rechts, ruikt met haar neus in de wind om vervolgens één stap te zetten, meestal terug. Zij wil de route bepalen en dat is tot nu toe nog nooit de route geweest die ik in gedachte had. Bij elke splitsing is het een gevecht om haar mijn richting op te krijgen. Het is een puber die de grenzen opzoekt en dat lukt haar aardig. Mijn grenzen. En stiekem vraag ik mezelf af waarom ze eigenlijk mijn richting moet volgen? Maar hondenboeken zijn daar duidelijk over. Laat zien dat jij de baas bent.

Binnen, als de Vrouwtjes thuis zijn, is ze weer als vanouds de allerliefste. Ligt minutenlang op haar rug te chillen, springt naast ons op de bank en vertederd ons met haar lieve ogen en likjes. En we zeggen tegen elkaar dat het wel over zal gaan. Dat ze moet wennen.

In de oude buurt waren er soms hele vervelende honden. Ik ging de baasjes ook heel vervelend vinden. Zo werkt dat. En dat stemt mij ongerust.

Uitgeteld

Verhuizen is een ding. Ook voor een hond. Ami doet het geweldig maar gisteren merkten wij dat ook zij een beetje aan haar taks zit.

Begon het met ontwaken in Scheveningen. Daar voelt ze zich al helemaal vertrouwd. Maar toen naar het nieuwe huis, dat lege huis waar alleen een kussentje ligt voor haar. Ze rollebolt wat over de cementen vloer en showt haar ‘grey look’. Ze loopt mee door de Gamma, door Praxis en door het winkelcentrum. Dan nog even naar Zoetermeer bij de zus van vrouwtje en daarna nog even naar het nichtje van vrouwtje.

Schootmoment

Daar lopen katten rond die zich een hoedje schrikken van ons monster. Maar Ami ook van hen. De kattenbrokjes lonken en de kattenluchten geven haar die alerte blik waardoor ze weer een puppy lijkt. Vriendin gaat onder het kappersmes en Ami volgt het allemaal niet meer. Plotseling voel ik haar snuit die ze tussen mijn knieën druk. En dan gebeurt het onmogelijke. Ze kruipt op schoot. In drie jaar tijd is dat nog nooit gebeurd dus ik roep iedereen er bij als getuige. Ze ligt er bij alsof het de normaalste zaak van de wereld is terwijl ik daar alleen maar compleet gelukkig zit te zitten.

Ze knort genoegzame geluidjes en sluit haar ogen. Ze is moe. Later, ‘thuis’ in Scheveningen springt ze tussen mij en Vriendin in en zucht. Zo dichtbij kwam ze niet eerder. Zo dichtbij heeft ze dus even nodig.

Op haar eigen wijze

Ik zie ze heus wel kijken en denken. Die mensen die ons soms horen over Ami. ‘Wat een getut over een hond’, ‘het is maar een hond niet je kind’. En ze hebben helemaal gelijk. Nooit gedacht dat zo’n mens in mij verstopt zat. Zo’n mens die overstroomt van liefde. Voor een hond.

Onderweg in de auto, terug van de vakantie, ben ik nerveus. Vriendin ook. Ami is dan al thuis gebracht. In mijn hoofd bepaal ik de volgorde. Toch maar eerst de koffers uit de auto en dan pas naar binnen. Tegelijk met Vriendin natuurlijk. Om de hartstochtelijke begroeting van ‘her majesty’ samen te mogen ontvangen.

Ze staat bij de deur en kwispelt. Maar ze kwispelt lang niet zo erg als wij. Ze is gewoon blij, tevreden dat we er weer zijn maar wil eigenlijk gewoon het liefste weer terug naar haar rode kussen, want ze lag net te slapen, ja!

Om de hartstochtelijke begroeting van ‘her majesty’ samen te mogen ontvangen.

Moed

Vriendin en ik spreken elkaar moed in. Dat ze gewoon een eigenwijze kwibus is, dat ze niet van dat hele kleffe gedoe houdt, dat we echt niet inwisselbaar zijn maar misschien wel een beetje. ‘s Avonds ligt ze gewoon weer op haar rug, de pootjes in de lucht, haar mantra voor een goed en veilig leven. Alsof er niets aan de hand is.

Plassen

Vanmorgen laat ik haar uit. Ze moet plassen. Elke hond moet plassen na een nacht, toch? Ami niet. Ami gaat zitten op het veld waar mijn zwarte sneakers inmiddels volgelopen zijn met het vocht van natte grasvelden. Ze zit en kijkt links en recht. Als ze weer loopt maakt ze zeker tien keer een schijnbeweging. Ze zakt door haar achterpoten, ik mompel ‘yes, ze gaat plassen’, ze komt weer overeind. Verkeerde plek, verkeerde tijd.

Hondenoppas

Als G, van de hondenuitlaatdienst en ook haar vakantiebabyzit, haar komt ophalen, reageert ze hetzelfde. Een kwispel, een uitrekmoment. G en ik praten nog wat over de vakantie, over Ami en d’r eigenwijze hebben en houwen en zij gaat er maar eens bij liggen. Dat getut. Met de riem om haar nek ligt ze er bij alsof ze nog een tukkie gaat doen totdat de grote mensen uitgepraat zijn.

Als ik er goed over nadenk, heb ik echt de hond die bij mij past. Ik ben ook geen knuffelaar. Wil graag zelf bepalen, wanneer, door wie en hoe lang. Als Vriendin mij voorstelt om te gaan wandelen zijn er ook heel veel andere dingen die ik liever doe op dat moment, gewoon lui onderuit zitten, is er één van. Als ik ‘s morgens ontwaak wil ik ook met rust gelaten worden. Ontbijten kan ook echt wel rond lunchtijd. Een plas ophouden kost me totaal geen moeite.
Ami doet alles zo op haar eigen wijze. En het liefst doe ik dat ook.

Leader of the gang

Ze zijn nu zo’n dag of vijf samen, Ami en de twee buurhondjes. Ze verschillen in alles maar vooral in temperament. Lola en Puk zijn van het vlugge en snelle, Ami is de bedachtzame en van het ‘eerst even rekken en strekken’.

Ami maakt zich nooit zo druk, nu ook niet. ‘Oh, wil je op mijn plekje op de bank, dat is goed hoor, ik zoek wel wat anders’. ‘Oh, vind je mijn mand fijner. Is niet erg hoor, ik ga wel in de gang liggen’. ‘Oh, wil je uit mijn bak eten, kom er maar bij hoor’.

Grenzen

Maar er zijn blijkbaar wel grenzen. Ami houdt niet van gedoe en aanstellerij. Puk daarentegen houdt er wel van. Ze piept en jankt nog voordat er iets gebeurt en zo hard dat je als onwetende hondenoppas het ergste vreest. Na een paar dagen weet je het. Als Lola als een bezetene naar de stofzuiger blaft is het genoeg. Ami komt de tuin uit rennen en plaatst zich letterlijk en figuurlijk boven het tweetal. Ze gromt een diepe, lage grom en zegt: ‘kappuh’, in goed Haags. Ze luisteren. Ami staat ineens hoger op haar poten. Als koning, keizer, admiraal sommeert ze het kleine spul naar buiten. Zelf gaat ze voor de deur liggen. Als een hoeder. En Puk en Lola wagen het niet langs haar te glippen. Pas als vrouwtje klaar is met stofzuigen staat ze op en maakt de weg vrij.

Beschermer

Ami’s gebrom is dieper en lager geworden. Als ze op het hondenveld in Monster loslopen en één van de hondjes wordt lastig gevallen rent ze er op af en bromt een vervaarlijk geluid. Ze beschermt haar adoptiezusjes als de beste.
Ook het spelen van de twee buurhondjes werkt aanstekelijk. Heel soms zie ik in Ami de pup omhoog komen. De ondeugende blik, de uitdagende houding. Ze bijt speels in één van de vier oortjes en wacht af. Ze kan wachten tot ze een ons weegt. Ami wordt geen speelkameraadje, dat is duidelijk. Thuisgekomen ploft ze naast Lola op de bank en sluit loddig haar ogen. Weer een dag voorbij en alles is goed gegaan. Ze bromt heel zachtjes van genot.

 

‘D’r zit een (honden)kop op’

Het zullen deze week veel hondenblogjes worden vrees ik. De twee logeetjes in huis maken het een bijzondere belevenis die ons als Ami-baasjes regelmatig aan het denken zet. ‘D’r zit een kop op’, zeggen we vaak over Ami. Maar die twee kleintjes hebben er ook één.

Lola en Puk zijn twee kleine, stevige honden. Dat is grappig. Ze zijn klein maar stoer, solide, ze hebben een body en met die stoere lijven weten ze behoorlijk kracht te zetten. In je eentje drie honden uitlaten is geen optie omdat alle drie de honden hun richting willen bepalen. Vriendin en ik bonden behoorlijk deze dagen omdat elke wandeling gezamenlijk gebeurt. De riemen en onze armen haken voortdurend over en onder elkaar door.

Baas

Ami is de baas omdat ze groter is en de vrouw des huizes. Daar doet ze overigens niets mee. Als een wijze dame staart ze naar het hondenvolk en haalt regelmatig haar schouders op. ‘Wat een drukte en gedoe’. Lola en Puk zijn heel wat jaartjes ouder dan Ami maar ik vermoed zomaar dat niemand dat zou raden. Ami heeft een aura van een geleefd leven om haar heen hangen. Volgens ons is ze oud geboren en dat geeft niet want ik herken dat. Bij mij werd overigens voorspeld dat naarmate de jaren zullen vorderen, de jeugdigheid de intrede zal doen. Er is dus hoop voor ons beiden.

Roedel

Lola, de zwarte, zou heel graag baas willen zijn. Als een echte madam houdt ze de boel in de gaten. Ze weet precies waar Ami is en wacht zo nodig op Puk. Pas dan is alles goed. Regelmatig rollebolt ze met haar zusje door de modder om dan een verfrissende duik in een slootje te nemen. Heel soms lijkt Ami mee te willen spelen. Staat ze voor haar doen enthousiast te kwispelen en doet een poging om zich in het spel te voegen. Maar ze begrijpen haar niet. Ze spreekt geen LolaPukkentaal.

Nieuwsgierig

Lola en Puk zijn nieuwsgierig. In de auto kijken ze graag uit het raam. Ami ploft direct neer op haar kussen en sluit de ogen. Als de glazenwasser plotseling in de tuin staat, nou, dan staat de glazenwasser plotseling in de tuin. Ami wordt er niet warm of koud van. Lola en Puk blaffen en drentelen voor het raam heen en weer.

Boven

Ami weet niet dat we een ‘boven’ hebben. Ze ziet ons verdwijnen en weet dat we ooit weer zullen verschijnen. Nog nooit heeft ze een poot op een traptrede gezet. Als Vriendin en ik boven in de badkamer staan horen we getrippel. Lola is  op onderzoek uit. Ze neemt met twee treden tegelijk de volgende trap naar boven, loopt rond en ziet dat het goed is. Puk jankt beneden aan de trap want dat is voor haar een trede te veel. Ami ligt ondertussen op haar favoriete plekje: de grens tussen buiten en binnen.

Dat is trouwens ook mijn favoriete plekje.

 

 

Silhouetten van geluk

Weer een warme zomerdag. Op het hondenstrand bij Kijkduin is het goed toeven als alle campinggasten roodverbrand vertrokken zijn. Meer mensen komen op het idee om op het strand nog even te genieten van de avond die voor hen ligt. Veel honden ook die net als wij, eindelijk weer tot leven komen.

Het is een breed stuk strand onderbroken door kleine plassen waar honden veilig te water kunnen gaan. Zo breed is het strand dat je zelfs op het drukste moment van de dag, echt nog een rustig plekje kan vinden.

We schenken een wijntje in en genieten. Er rennen kinderen lachend achter elkaar aan. Overijverige joggers doen een poging om cool over te komen. Een meisje loopt alleen, haar blik naar binnen gericht. Twee oude mensen, hand in hand. Een jong stel, tegen over elkaar, druk pratend en gebarend. Voor mijn neus vertellen mensen hun verhaal.

Verte

In de verte, aan de zee, zie ik silhouetten van mensen. Een mooi gezicht, de zwarte figuurtjes in het wiebelende licht van de zon. Geen gezichten hebben ze, geen mannen of vrouwen zijn het, gewoon, mensfiguren die in hun eigen wereld zijn. Silhouetten die een bal over gooien. Ik geniet van dit beeld. Er bij zijn en er niet bij zijn. De anonimiteit in bikini.

Groeten

Net zoals booteigenaren elkaar groeten, zo groeten baasjes van honden elkaar ook. We delen immers een liefde. Eerst monsteren de baasjes elkaar, dan de honden. Wij groeten vaak het eerst, de baasjes. De honden snuffelen wat aan elkaars gat en zijn er snel uit of het interessant is of niet. Bij mensen duurt dat langer. Je doet hondenbaasjes geen groter plezier dan iets liefs over hun hond te zeggen. En geloof me, ik kan het weten. Alsof ik mijn hond zelf gemaakt heb, zo idioot trots kan ik zijn.

Als we terug wandelen naar de auto is het nog steeds een komen en gaan van mensen. Heel even waan ik me in een ver vakantieland. Maar het is en doordeweekse dag in Den Haag. En morgen mogen we weer genieten.

 

Blubblub

Op de Hondendijk in Monster was het gisteren weer gezellig druk. Honden en baasjes slenteren op ieders eigen wijze over het veld. Meestal is alle aandacht voor de hond. Het soort, de maat, het karakter. Gisteren was het anders.

‘Blub, blub’. ‘Blubblub’. Een vrouw roept blijkbaar haar hondje. Een witte dondersteen die ook Ami probeert te overtuigen dat spelen en rennen leuk is. Maar om dat bij Ami voor elkaar te krijgen moet je nu eenmaal veel meer in huis hebben. Ami trekt haar sierlijke bovenlipje op en bijt de witte toe: ‘opzouten’.

Slim

Honden zijn slim. Voelen feilloos aan wanneer ze wel door moeten gaan met uitdagen of beter inderdaad kunnen opzouten. De Witte zout op. Rent over het veld op zoek naar andere vriendjes. En, ze vindt ze. Haar vrouwtje, een hondenmens in fel gekleurde kleding, roept haar terug. ‘Blubblub’. Ik luister nog een keer. Maar echt. ‘blubblub, roept ze. Niet één keer maar minstens een keer of dertig achter elkaar. Andere baasjes kijken elkaar aan. De enige die niet reageert is Blubblub zelf. Dat is niet raar. Het witte hondje is minstens een paar honderd meter verwijderd van haar baasje en rent zich de longen uit het lijf. Had ik zo’n naam dan was ik het ook snel vergeten.

Fuut fuut

Haar vrouwtje haast zich niet. Andere honden snuffelen aan haar want het roepen houdt aan afgewisseld met twee korte fluitjes, hoog en laag. ‘Fuut, fuut, BlubBlub’, klinkt het over de hondendijk. Na het zo’n honderd keer gehoord te hebben zing ik haar in stilte toe:
10 Kleine visjes
Die zwommen naar de zee
Moeder zei
Maar ik ga niet mee
Ik blijf lekker in die oude boeren sloot
Want in de zee zwemmen haaien
En die bijten je
Blub, blub, blub, blub,blub
Blub, blub, blub, blub, blub
Blub, blub, blub, blub, blub

Luisteren

De vrouw loopt naast mij. Of ik een wit Foxje heb gezien… Haar hondje luistert niet, zegt ze, heeft te veel energie. Ik wijs voor me waar in de verte een paar honden aan het dollen zijn. Ook Blubblub. Ze versnelt niet maar blijft zonder enige overtuiging in haar stem en fluit, de mantra herhalen. Heel even denk ik gemeen dat ik ook kan zeggen dat Blubblub net in de sloot beland is maar ik laat het. De tien honden die achter haar aan lopen vermoeden vast dat blubblub een lekkernij is want ze lopen kwispelend de hondenfluisteraar achterna.

Uiteindelijk naderen we Blubblub die het keihard naar haar zin heeft. En ik begrijp Blubblub. Soms, wil je vrij zijn, moeten de remmen en riemen los. Heb je behoefte om in een kleine groep de frustratie van je af te rennen.
Als we passeren hoor ik haar tegen Ami zeggen: ‘Zo’n wijvennaam als die van jou is ook niet alles maar Blubblub???’