CategorieGedichten

Ik wil alles of ik wil niets: ‘Für mich soll’s rote Rosen regnen’

Gisteravond was Pieter Waterdrinker zomergast in het gelijknamige programma. Ik heb met plezier gekeken. Boeiend, leuk, ontroerend, leerzaam. Hij eindige zijn tv-avond met een optreden van een oude Hildergard Knef.

Vaag herinner ik me haar. Een mooie dame met diepliggende ogen in het zwart. Een stem die doorrookt en doordronken kleine sneetjes maakte in mijn hart. Niet mooi maar misschien juist daarom zo mooi. Ik weet niet veel van haar maar ga me de komende tijd maar eens verdiepen in wie zij was en wat zij deed.

Waterdrinker laat het lied zien ‘Für mich soll’s rote Rosen regnen’. Wat een mooie tekst, wat stoer en wat een lef moet je hebben om dat te wensen voor jezelf. Ik wil alles of ik wil niets.

——————————————————————————————————–

Mit 16, sagte ich still:
ich will,
will groß sein, will siegen,
will froh sein, nie lügen.
Mit 16, sagte ich still:
ich will,
will alles oder nichts.

Für mich soll’s rote Rosen regnen,
mir sollten sämtliche Wunder begegnen,
die Welt sollte sich umgestalten
und ihre Sorgen für sich behalten.

Und später, sagte ich noch:
Ich möcht verstehen, viel sehen, erfahren, bewahren.
Und später, sagte ich noch: Ich möcht
nicht allein sein und doch frei sein.

Für mich soll’s rote Rosen regnen,
mir sollten sämtliche Wunder begegnen,
das Glück sollte sich sanft verhalten,
es soll mein Schicksal mit Liebe verwalten.

Und heute, sage ich still:
Ich sollt
mich fügen, begnügnen,
ich kann mich nicht fügen,
kann mich nicht begnügnen:
will immer noch siegen.
will alles, oder nichts.

Für mich soll’s rote Rosen regnen,
mir sollten ganz neue Wunder begegnen, mich fern vom alten neu entfalten, von dem, was erwartet, das meiste halten.
Ich will, ich will

Er lopen mensen door de stad met een pasje
aan hun broekzak vast of aan hun jasje
om de nek soms zelfs met een koordje er door heen
al die mensen met een pasje alleen ik, heb er geen

Ik zie ze flaneren, trots als een pauw
het pasje gepind aan revers of een mouw
ontspannend pauzerend, lopend in stijl
met pasjes aan jasjes, zij hebben ze wel

het pasje zegt ‘kijk dan, ik hoor erbij,
ik mag hiermee naar binnen, en ach, arme jij.
wat het betekende, merkte je pas
toen jij al even zonder was

jij hoort bij de ‘overigen’ geen deuren gaan open
je kan alleen om gebouwen heen lopen
geen pasje, geen toegang, geen identiteit
geen status, geen koffie, je raakte het kwijt

totdat je beseft, geen pasje geen zorgen
je hoeft niet vandaag, het kan ook wel morgen
je nek is bevrijd van het koord er om heen
en pasjes… ach joh, ik maak er zelf wel een

Herinnert u zich deze nog, nog, nog


Gisteren ontvang ik een berichtje. Van R. Een vriend van lang geleden. Zeker wel zo’n dertig jaar terug toen we in een cabaretgroepje zaten waar ik de teksten voor schreef. R. bouwde de decors en zong ook mee.

Hij schrijft: Hé Anja, ken jij dit gedicht?

‘Het dartelt, het springt
het wartaalt, het zingt
het speelt en het leeft
het siddert, het beeft
het slaapt, het ontwaakt
het lacht en het maakt
mij blij

Het kind
een stuk in mij.

Ik ken het niet maar vind het een lief versje. Dat schrijf ik R. Eigenlijk een beetje bang een flater te slaan, want moet ik dit kennen? Hij schrijft: Het is van Anja.

Ik val even stil. Van mij, Anja?, vraag ik suffig. Hij stuurt een foto van een soort van boekje. Met toch wel opgemaakte versjes en gedichtjes. Met de tekst: Foto van Henny, gedichten Anja Verhaar. (Wie is Henny?)

Het boekje

Een foto van een stenen beeldje, het hoofdje van een en kind, beschermd door een hand. Dat beeld ken ik ook, dat had ik ooit. Het zien brengt een stroom aan vragen op gang. Bijvoorbeeld wat heb ik toch met kinderen en beschermen?
Zij die geen kinderen heeft. Maar ook, waarvoor was dit boekje? Vage herinneringen aan een soort van marktje, waar we dat verkochten. En waar zijn al die versjes gebleven.

Bewaren

Ik ben niet van het bewaren van mijn teksten. Een beetje spijt heb ik soms wel want wie weet wat ik er nog mee had kunnen doen. Maar mijn schrijfsels mogen komen en gaan. Ik heb me nooit krampachtig vastgehouden aan mijn teksten. Er op vertrouwend dat er nieuwe regels komen voor zolang het nodig is. Zo stuurde mijn zus mij liedteksten toe die ik ooit had geschreven. Ik kijk er naar zonder enige herinnering. Het is dat mijn naam er bij staat, dus geloof ik het. Ik herken ook wel ‘mijn stijl’.

Proces

Moet ik me zorgen maken over het ‘vergeten’. Of het gewoon maar vergeten? Het hoort een beetje bij mijn idee dat ik regels uit de lucht pluk. Regels die er al zijn. Ik zie ze toevallig en pluk ze en plant ze op papier. In de overtuiging dat ze altijd blijven zweven en ik ze wel weer een keer tegenkom.

Maar R. belooft mij het boekje toe te sturen. Heeft het ooit speciaal voor mij bewaard. Lief. Ik ben benieuwd wat er nog meer in staat. Mijn eerste dichtbundeltje van toen.

Klein meisje

Op het eerste bankje in de tram, zit een klein meisje. Een fleurige tas op haar schoot. Magere beentjes wiebelen heen en weer. Haar moeder en zusje zitten op het bankje naast haar. Ik mag naast het meisje zitten. Ze wijst op de lege plek.

Ze vertelt over haar tas. Dat door de regen de kleuren op haar tas vlekken zijn geworden. Ik pak mijn boek en begin te lezen.
‘Ik heb ook twee boeken in mijn tas’. Ze opent haar tas en laat ze mij zien. Dikke boeken. Ze pakt er een uit en gaat lezen. Ik lees ook weer verder.

Aapje

Ze tikt me aan en zegt. ‘Weet je wat ik altijd droom’? Ze wijst naar de handgrepen waaraan passagiers die in de tram moeten staan, zich vast kunnen houden. ‘Ik droom heel vaak dat ik als een aapje door de tram slinger, van handgreep naar handgreep’. Ze kijkt me aan met een intense blik.
‘Houd je van klimmen?’ vraag ik. Ze knikt en verzucht ‘dat is het liefste dat ik het doe’.

Ze buigt zich voorover en fluistert in mijn oor. ‘Mijn moeder mag het niet weten maar ik klim ook altijd in mijn kamer. Dan hang ik aan de planken in de kast of doe net alsof ik ergens niet bij kan, dat het alleen maar klimmend kan.’ Ze zucht heel diep. ‘Dat vind ik zoooooo fijn’.

Telefoon

Haar moeders telefoon gaat. ‘Papa’, zegt ze tegen haar moeder. ‘Weet je wat we vanavond eten?’ Ik schud mijn hoofd.
‘Knoflooksaus die mijn vader heeft gemaakt. Ik lustte het eerst niet maar nu is het het lekkerste dat bestaat’. Ik begrijp dat wel.

De tramchauffeur roept om dat we er allemaal uit moeten. Een ongeluk waardoor de tram niet verder kan rijden. Voor we het weten staan we in de stromende regen buiten. Ik besluit verder te lopen en zwaai naar het meisje. Niet eens boos dat de tram niet verder gaat maar teleurgesteld dat ons gesprek zo plots werd afgebroken.

We zwaaien naar elkaar.

Elke zaterdag: gedichtendag

Gisteren schreef ik over een prachtig stukje Den Haag.
Vandaag een andere kijk op deze stad van dichter Remco Campert.


Den Haag 
Overal bevuilde daken 
groen koper van kerken 
brakke lucht uitgebeten huizen 
afgegraasd grasland verwaarloosde zee. 
O en de trieste trage gele trams 
en het kippevel van de verwaaide straten. 
Heel Den Haag was één Panorama Mesdag 
elke dag een verregende koninginnedag. 
Mijn grootvader ongeschoren 
dwaalde als Strindberg door het huis 
gevangen in zijn eigen kamerjas. 
En zo speelziek en verlegen als ik was 
met mijn kleine rubberdolk 
beheerste dolleman 
pleegde ik sluipmoord op een schemerlamp 
of op zolder het oude lila kussen. 
Remco Campert
Uit: Dichter

Alles is poëzie

Morgen gaat mijn derde cursusdag over poëzie. Gedichten, woorden, klank, rijm en ritme. Ik heb zo veel zin in deze les dat ik van enthousiasme niet uit de startblokken kom. En zo’n blog tussendoor, schiet ook niet op natuurlijk.

Als kind zat ik in tram 9, een tram in Den Haag. Op de Fruitweg, op een grote, stenen fabrieksmuur, stond heel groot dus niet te missen: ‘Dag lieve mensen’.

Een simpele boodschap. Dag lieve mensen. Ik moest er toen al om glimlachen en moet dat nog steeds. Alles is poëzie denk ik nu. Ook de lieve woorden van deze onbekende heer of dame. Wie heeft deze woorden op de muur geschreven, wanneer, waarom en met welke bedoeling. En waarom vind ik dit poëzie?

Wakkermakend

Poëzie is voor mij taal die wakker maakt. Geen aaneengeregen woorden die een verhaal vormen maar woorden uit een context gehaald en die hun zeggingskracht behouden, zelfs groter maken. ‘Dag lieve mensen’ zou op mij veel minder indruk maken als het boven een brief staat als aanhef. Daaronder zou dan de tekst staan waarom wij worden aangeschreven als ‘lieve mensen’. Een oproep tot solidariteit, een oproep om iets voor elkaar te krijgen, een aanhef om mij mild te stemmen. Mij kennende zou ik de brief misschien direct wel terzijde leggen omdat ik het niet vertrouw als het niet van iemand afkomstig is die ik heel goed ken en weet dat ik lief kan zijn.

Poëzie is moeilijk

Poëzie wordt vaak moeilijk en onbegrijpelijk gevonden en heel vaak is dat zo. Er zijn gedichten waar ik helemaal niets van begrijp. Ik staar naar woorden en lees zinnen die ik alleen maar hardop kan voorlezen maar geen indruk achterlaten behalve dat ik er geen snars van begrijp. Maar gelukkig zijn dichters net mensen en er zijn best veel van. Er zijn dichters die ik wel begrijp, die iets vertellen wat ik vaag herken, waar ik meer van wil weten. Die mij raken ook als ik niet helemaal weet waarom.

Dag lieve mensen is voor mij een gedicht. Straatpoëzie. Een regel die voor iedereen en van iedereen is. Niet rijmt maar in zijn eenvoud binnenkomt. In welke stemming ik ook in die tram zit, sjagrijnig of moe, verdrietig of verward, ik ga met de regel in gesprek.
‘Dag lieve mensen? Waar dan?’.
‘Dag lieve mensen? Morgen misschien’.
‘Dat lieve mensen, krijg allemaal de schijt’.
‘Dag lieve mensen, ik kan het niet zeggen maar zo voel ik me wel.’

Dat wil ik morgen laten horen. Woorden die binnenkomen.
Zo en nu aan het werk.

Dichten vrouwen anders

 

Deze week was ik het internet aan het afstruinen naar dichters, gedichten in het algemeen. Ik kwam de volgende vraag tegen: dicht een vrouwelijke dichter anders dan de mannelijke dichter?

Zachter en zwak
Daar was ik bang voor. Dat dat er uit zou komen. Maar het is een interessante vraag voor iemand zoals ik. Zijn de onderwerpen anders, de thematiek, de benadering van een vraag?

Toen kwam ik op een pagina over Annie MG Schmidt. Ze heeft ook gedichten voor volwassenen geschreven. Daar was ik niet bekend mee, dus leuk om te lezen. En zij schreef ooit een prachtig gedicht over een vrouw die dichten wil.

Grappig trouwens als ik google op vrouwen en dichten, dan kom ik uit bij het ‘dichten van conflicten’, mensen samen brengen. Ook mooi maar niet wat ik bedoelde.
Maar ik deel wel graag het gedicht van MG Schmidt met jullie. En dan ga ik nu zelf dichten.

Moeder dicht
Mijn bladerloze schaduw mijdt het water

Ziezo hè hè, de eerste regel staat er.
en speurt de witte angst van eeuwen later

Ga weg! Ga spelen met je transformator!
Je ziet toch dat je moeder zit te dichten.
ik wend mij af en doof mijn vale lichten

ik heb tedùm tedùm geweten

Dat vul ik later in. Na ’t middageten.
mijn weemoed maakt de koele vlinders wakker

van mijn getooide zelf. Daar is de bakker!
Zeg maar: een halfje bruin en een heel wit.
o grijze schim die daar zo heilloos zit

ik zie mijn grijze droefheid aan de kim
Da’s tweemaal grijs. Dat kan niet. naakte schim

aan wie ik al mijn zachte treurnis zeg

En nog een rol beschuit! O is ie weg?
als dauw die druppelt van de trage bomen

Als jij nog één keer binnen durft te komen,
dan krijg je geen vanillevla vanavond!
zo druppelt in dit hart te zeer gehavend

Je moeder dicht. ze heeft geen tijd, totaal niet.
Als vader thuiskomst gaat het helemaal niet.
Je moeder zou een Shakespeare kunnen zijn.
Ze is het niet. Dat komt door jouw gedrein.
Daar gaat ie weer. O humtum klaar en koel

in ’t land van late regen en ik voel

mijn schamelheid. Een heer met een kwitantie?
Zeg maar: m’n moeder is met kerstvakantie.
mijn schamelheid.Wat is dat? Hoofdje zeer
M’n schatje toch…. Gevallen met je beer?
Je moeder komt…..na na…… daar is ze al.
Wees nou maar zoet- ’t genie staat weer op stal.
Annie M.G. Schmidt (1911 – 1995)

4 mei

Zo gewoon was het om veilig te zijn|
dat we er geen aandacht voor hadden
veilig was een woord met korte ei
dat we konden schrijven

dat veilig heilig is zouden we weten
in bedreigingen nabij
zo nabij dat de grond
onder ons huis heel even trilde

op sommige muren hangt in letters ‘home’
misschien omdat we vergeten
dat een huis een thuis moet zijn
waar je wel zou willen wonen

is het erg, vroeg ik jou
als jij het bent?
Die veiligheid?

 

Als je gedachten op slot zitten

Ik was gisteren op bezoek bij de Herbergier, een huis waar dementerende mensen wonen. Ik kende een andere Herbergier omdat mijn schoonmoeder daar woonde en net zoals toen was ik nu weer onder de indruk van de liefde en huiselijkheid.

Aan tafel zit ik bij een oudere dame die zorgelijk zucht en voorover hangt. Een iele, fragiele dame. Ze ondersteunt haar hoofd met haar hand en fluistert: ‘Waar hebben ze het over. Ik begrijp het niet meer’. Ze pakt mijn hand stevig vast en kijkt me indringend aan met vragende ogen. Een medewerkster geeft haar kleine slokjes melk en de oude vrouw vraagt haar: ‘Heb ik iets verkeerds gedaan, ik wist het niet’.
‘Je hebt helemaal niets verkeerds gedaan, lieverd’, zegt de medewerkster, ‘je bent in de war omdat je dingen niet meer weet’. De oude dame veert op en vraagt aan haar: ‘Echt, ben je in de war?’

Op de bank zit een vrouw die vrolijk om zich heen kijkt. Ze bladert wat in een tijdschrift. We praten over haar kinderen, haar huis in Den Bosch en ze maakt op mij totaal niet de indruk dat ook zij dingen vergeet. Ze kijkt naar haar hand waar blauwe adertjes goed zichtbaar bovenop liggen.
‘Kijk dan’, zegt ze tegen mij en wijst naar de adertjes. ‘Vorige week, een groepje jongens, begonnen ineens op mijn hand te slaan, zo’, ze doet het voor. ‘Het was maar kort, tien minuten en toen gingen ze weg maar kijk nu toch, ik krijg het niet meer weg’. Ze veegt met haar andere hand over de adertjes, alsof ze ze weg kan wassen.
Ik zeg dat het domme jongens waren, wie doet nu zo iets. Ze lacht.