Arrogante ettertjes

Dit is een beeld van, drie keer raden… Ronaldo. De ballen moesten er op, dat is wel duidelijk. Het drie meter hoge standbeeld van Cristiano Ronaldo staat op zijn geboorte-eiland Madeira. Het beeld schijnt niet echt te lijken maar niemand kijkt naar het gezicht. Een voetballer als ‘erected statue’.
WK Voetbal

Ik heb met veel plezier gekeken naar het WK voetbal. Halverwege de finale gisteren verging mijn plezier een beetje want Frankrijk won. Maar enfin… wat maak ik me verder druk? Waar ik echt druk over maak is de arrogantie van sommige superhelden. Dit beeld is er maar een klein voorbeeld van. Waarom worden sommige topspeler van die arrogante eikels? Neem nu Kylian Mbappé. Je ziet aan alles dat hij een grote is en nog groter zal worden. Hij is pas 19. Hij maakt stappen die niemand maken kan, heeft een souplesse waar menig balletdanser met afgunst naar zal kijken. Een knappe kop op een prachtig lijf.

Talent

De opvolger van Pele wordt hij genoemd. Voetbaltechnisch dan want verder onderscheidt Mbappé zich nu al door onuitstaanbaar gedrag op het veld. Gaan liggen en zeiken en zeuren als het niet nodig is. Waarom ga je je zo gedragen als je al een groot talent hebt meegekregen waarvoor je eigenlijk alleen maar nederig dankbaar zou moeten zijn? Waarom moeten vooral voetballers zichzelf nog groter maken dan ze al zijn.

Voorbeeld

Deze jongens worden op handen gedragen omdat ze iets heel goed kunnen. Ze geven ook veel aan anderen want we genieten er met miljoenen van. Maar hun idiote gedrag wordt te makkelijk geaccepteerd. Zij zouden een voorbeeld kunnen zijn van hoe je omgaat met een groot talent. Maar ze laten alleen maar zien hoe klein ze diep van binnen gebleven zijn. Een bijtende Suárez, een pruilende Ronaldo, een intimiderende Pogba, een rollende Neymar. Grote voetballers, kleine mannen.

Standbeeld met ballen

Stel je voor. Je bent Ronaldo. Je krijgt een drie meter hoog bronzen beeld. Je kijkt en zegt: ‘ik wil meer ballen in het broekje’. En dat er dan een groot kunstenaar opstaat en zegt: ‘Ik laat alleen de waarheid zien. Zorg dat je ballen krijgt, dan maak ik ze’.

 

Wachten

Wij wachten al geruime tijd op een appartement dat gebouwd wordt. Lange maanden (jaren bijna) van beslissingen maken, twijfelen, hopen, maar vooral van wachten. Om ons heen wordt ondertussen al druk verhuisd. Familieleden die nog geen week geleden een huis kochten staan al te trappelen met verhuisdozen opgestapeld in de gang. Ik wil dat ook.

Wat is wachten eigenlijk een aparte bezigheid. Ik zocht een foto voor bij dit blog en kwam prachtige plaatjes tegen. Foto’s van mensen die ongeduldig of gelaten maar vrijwel allemaal ernstig zijn. Wachten is een serieuze bezigheid. En er zijn zoveel vormen van wachten. Wachten op een trein is heel anders dan wachten op de komst van je geliefde. Wachten op God vraagt ook weer andere overtuigingen. Soms kun je wachten totdat je een ons weegt.

Verwachten

Verwachten is iets dat zekerheid biedt. Je verwacht een brief of een loonsverhoging. Verwachten is wachten met verlangen. Dat verzin ik niet zelf hoor maar ik vind het wel mooi. Afwachten is weer heel anders. ‘Wacht nu maar af’, hoe vaak hebben jij en ik dat niet gehoord. Afwachten kan lang duren, tenminste zo lang totdat de persoon komt of er iets gebeurt. Afwachten vraagt geduld, verwachten geeft zekerheid.

Ik ben niet goed in wachten. Ga drentelen. Kan niet rustig afwachten en mijn ding doen. Wachten ziet er uit als niets doen maar het tegendeel is waar. De passiviteit van wachten staat haaks op het ongeduld ergens van binnen. Soms wil ik gewoon beginnen om een eind te maken aan het wachten.

Verhuisdozen

Er staan verhuisdozen. Wat zou ik wachten?

 

Blubblub

Op de Hondendijk in Monster was het gisteren weer gezellig druk. Honden en baasjes slenteren op ieders eigen wijze over het veld. Meestal is alle aandacht voor de hond. Het soort, de maat, het karakter. Gisteren was het anders.

‘Blub, blub’. ‘Blubblub’. Een vrouw roept blijkbaar haar hondje. Een witte dondersteen die ook Ami probeert te overtuigen dat spelen en rennen leuk is. Maar om dat bij Ami voor elkaar te krijgen moet je nu eenmaal veel meer in huis hebben. Ami trekt haar sierlijke bovenlipje op en bijt de witte toe: ‘opzouten’.

Slim

Honden zijn slim. Voelen feilloos aan wanneer ze wel door moeten gaan met uitdagen of beter inderdaad kunnen opzouten. De Witte zout op. Rent over het veld op zoek naar andere vriendjes. En, ze vindt ze. Haar vrouwtje, een hondenmens in fel gekleurde kleding, roept haar terug. ‘Blubblub’. Ik luister nog een keer. Maar echt. ‘blubblub, roept ze. Niet één keer maar minstens een keer of dertig achter elkaar. Andere baasjes kijken elkaar aan. De enige die niet reageert is Blubblub zelf. Dat is niet raar. Het witte hondje is minstens een paar honderd meter verwijderd van haar baasje en rent zich de longen uit het lijf. Had ik zo’n naam dan was ik het ook snel vergeten.

Fuut fuut

Haar vrouwtje haast zich niet. Andere honden snuffelen aan haar want het roepen houdt aan afgewisseld met twee korte fluitjes, hoog en laag. ‘Fuut, fuut, BlubBlub’, klinkt het over de hondendijk. Na het zo’n honderd keer gehoord te hebben zing ik haar in stilte toe:
10 Kleine visjes
Die zwommen naar de zee
Moeder zei
Maar ik ga niet mee
Ik blijf lekker in die oude boeren sloot
Want in de zee zwemmen haaien
En die bijten je
Blub, blub, blub, blub,blub
Blub, blub, blub, blub, blub
Blub, blub, blub, blub, blub

Luisteren

De vrouw loopt naast mij. Of ik een wit Foxje heb gezien… Haar hondje luistert niet, zegt ze, heeft te veel energie. Ik wijs voor me waar in de verte een paar honden aan het dollen zijn. Ook Blubblub. Ze versnelt niet maar blijft zonder enige overtuiging in haar stem en fluit, de mantra herhalen. Heel even denk ik gemeen dat ik ook kan zeggen dat Blubblub net in de sloot beland is maar ik laat het. De tien honden die achter haar aan lopen vermoeden vast dat blubblub een lekkernij is want ze lopen kwispelend de hondenfluisteraar achterna.

Uiteindelijk naderen we Blubblub die het keihard naar haar zin heeft. En ik begrijp Blubblub. Soms, wil je vrij zijn, moeten de remmen en riemen los. Heb je behoefte om in een kleine groep de frustratie van je af te rennen.
Als we passeren hoor ik haar tegen Ami zeggen: ‘Zo’n wijvennaam als die van jou is ook niet alles maar Blubblub???’

 

Even bellen…

Dit is mijn telefoon. Wat ik er mee doe? Nieuws volgen, twitter en facebook bekijken, agenda bijhouden, appen. Waar het ding in eerste instantie voor bedoeld is, vermijd ik meestal. Ik haat bellen.

Op de een of andere manier boezemt iemand bellen mij angst in. Geen ‘wegrenangst’ maar ‘uitstelangst’. De ‘vibe’ moet goed zijn en dat houdt in mijn geval nogal wat in.
Het liefst regel ik alles via andere kanalen. Mailen, appen, ik draai er mijn hand niet voor om. Geen van mijn vrienden zal ooit zeggen: ‘Je belt me teveel’, zoveel is zeker. Maar nu.

Even bellen

Nu is alles anders. Bij de krant is mijn werk vanaf deze week veranderd. Van teksten maken uit andere teksten word ik nu geacht iemand te bellen en wat vragen te stellen. Voor iedereen een fluitje van een cent.  Voor mij een bijna onneembare horde waar eerst alles perfect voor geregeld moet zijn: juiste afstand, timing, buitenstem.

Buitenstem

Mijn buitenstem moet ik zoeken. De stem die contact maakt, die beleefd is en de juiste woorden weet te vinden. Mijn binnenstem is een hele andere. Die begrijp ik heel goed maar anderen minder vrees ik. En niet alleen moet ik praten door zo’n ding, maar ook onthouden wat een ander zegt en dat naar waarheid weergeven. Niets leuke dingen toevoegen, grappig zijn of iemand willen doorgronden of bekritiseren. Neutraal. Correct. Kritisch. Waar ik normaal een telefoongesprek zo snel mogelijk beëindig moet ik nu zeker weten dat ik genoeg weet. Om niet naderhand terug te moeten bellen met ‘met wie heb ik eigenlijk gesproken?’.

Toen ik gistermiddag thuiskwam vroeg Vriendin hoe mijn dag was geweest.
‘Zwaar’, zei ik. ‘Ik moest iemand bellen’.

 

 

Vrouw & Co is een cadeau

Toen ik bekend maakte te gaan stoppen bij Vrouw & Co was de verrassing compleet. Niet het minst bij de mij meest dierbaren. ‘Weg bij je kindje?’ en ‘dit betekent zoveel voor je’. En het is allemaal waar. En de titel ‘Vrouw en Co is een cadeau’ meen ik ook uit de grond van mijn hart. Maar eigenlijk moet er staan: een groep waar je je thuis voelt is een cadeau.

Dit is een foto van een buitenoptreden van een paar weken terug. Gisteravond hadden we onze laatste repetitie voor de zomervakantie en traditiegetrouw wordt dat gevierd met heel veel hapjes en drankjes. De avond daarvoor had ik een etentje met mijn schrijfgroep als afsluiting voor de zomer. Mij net zo dierbaar.

Zo lang al…

Maar het koor gisteravond. Bij een van ons thuis in een heerlijke tuin. En met twee vrouwen erbij die door ziekte al enige tijd niet konden komen. En ik kijk vanaf de bank naar ze en geniet en ben ontroerd. Zoveel maken we samen mee. Lief en leed. Die ene die altijd teveel beweeg, beweeg nog steeds teveel. Die ander die vol passie en overgave wil zorgen dat het werkt, is de passie niet verloren. Kwetsbaar staat ze tussen het koor, op zoek  naar haar stem, want hoe klinkt het ook weer, wat is dat ook weer: zingen?

Ouder

En ik zie hoe we met elkaar ouder zijn geworden. Sommigen denken al over pensioen en stoppen met werken. Maken plannen voor ‘later’. Hoge stemmen worden lager. Maar wat gebleven is, is de lach. Het lachen om niets en daar van genieten.

Eigenlijk maakt het niet zoveel uit wat je doet met elkaar maar vindt een gemeenschappelijk doel en doe het samen. Het verrijkt je leven op zoveel manieren. Ik blijf het bijzonder vinden dan vrouwen, zo verschillend van karakter, een groep vormen waar voor iedereen plek is. En het gaat nooit vanzelf, dat weet ik wel maar juist dat maakt een groep boeiend.

Eén ding weet ik zeker. Ik blijf ‘groepen’.

 

En wel hierom

Marketing. Bedrijven maar ook jij en ik, kunnen niet zonder. Slimme vrouwen en mannen bedenken trucs waardoor jij en ik denken iets nodig te hebben. Of dat we iets missen als we het niet kopen/doen/denken/leren. Maar bij mij valt elke marketingtruc verkeerd. Behalve dan die ik niet doorheb. Dan heb je het goed gedaan (wat in mijn ogen nog steeds verkeerd is).

Ik ontving van een relatie een mail met de tekst: ‘Hoi Anja, ik houd het nog even geheim maar jij (boodschap = we hebben immers al zo’n enorm goede band opgebouwd), bent de eerste die alvast mag kijken”.

Misselijk

Dit soort teksten scoort bij mij niet en nooit. Misselijk word ik er van.
In dit geval gaat het om een product waar ik zelf echt in geloof. Het product is goed, ik gebruik het en zou willen dat meer mensen het gaan gebruiken niet om de laatste reden dat ik daar mijn boterham mee kan verdienen. Maar ik wil het niet op die manier. Toen ik dat antwoordde aan de beste man was hij geschokt en vond hij het jammer dat ik op eigen houtje mijn verkoop wilde doen. Op een nogal belerende toon schreef hij dat ik beter op zijn tips had kunnen wachten want: succes verzekerd. De man ging er van uit dat ik zijn ongeschreven moralistische vingertje niet zag zwaaien tussen de letters door.

Dom

Ik ben geen verkoper. Dan was ik een eigen winkel begonnen en geen tekstbureau waar ik zelf het instrument ben, het product, want het moet uit mijn pen vloeien. Natuurlijk wil ik reclame maken maar dan alleen als ik de lezer oprecht behandel. Ben ik de beste tekstschrijver? Nee, bij lange na niet. Maak ik de beste websites? Nee, absoluut niet. Het enige dat ik te bieden heb naast teksten en websites ben ik zelf. En dus zul je mij moeten leren kennen. Weten dat ik je niet laat vallen, dat ik doorga tot het eind, dat ik niet opgeef, met je je mee zal denken en hopen en bouwen.

Horloge

Een anekdote uit een vorige relatie. De vriendin van toen wilde een heel duur horloge kopen. Wij lopen op een beurs in ons gewone vrouwenkloffie. We worden door vrouwen en mannen in dure pakken niet bekeken. Integendeel. De totale desinteresse in onze aanwezigheid was pijnlijk. Totdat de vriendin aangaf zo’n horloge te willen aanschaffen. Stoelen werden aangerukt. Mantelpakjes brachten koffie en bonbons, we werden nog net niet onder de tafel gemasseerd. Het kwijl liep onze nek in.

Dank je wel. We gaan. Nu. Stik in je horloge maar vooral stik in je eigen vooringenomenheid.

Gunnen

Ik geloof heilig in mensen. Een bedrijf met de juiste mensen, mensen die houden van het werk, van het bedrijf waar ze werken, daar hoef je geen dure trainingen te geven in verkoopstrategieën of iets dergelijks. Dat gaat vanzelf. Product X hebben we misschien allemaal wel nodig maar van wie je het nodig hebt, dat is een hele andere vraag.
Snelle mannen en vrouwen kunnen mij gestolen worden. Ze rennen zo hard dat ze heel veel potentiële klanten missen.

 

Hannah Gadsby: om te huilen. Zo goed.

Nooit van haar gehoord. Hannah Gadsby. Een comédienne uit Australië. Haar nieuwe show Nanette is nu te zien op Netflix en ik heb gekeken, werd verpletterd en ga het vandaag terug kijken. Om me opnieuw te laten verpletteren.

Een uur lang staat ze achter de microfoon om  grappen te maken. Over haarzelf, over witte mannen, over de mythe van Kunst en mannen in kunst. Maar het is vooral haar woede die me raakt. De woede als ze stopt om comédienne te zijn en besluit om niet langer grappen te maken over haar leven maar haar verhaal te vertellen.

Gays can party

Haar lef is ontroerend. Haar rauwe grappen over groot leed wat haar is aangedaan. En herkenbaar. Zeker hoe ze ‘my people’ neerzet. ‘My people’, de gays die feestend en hossend door het leven gaan. Een levensstijl in een parade van gekkigheid en geveinsde blijdschap. Ze vraagt zich: ‘where are the quiet gays?’
En ik denk aan mijn eigen coming-out en de wens om er bij te horen.

Mijn eerste roze zaterdag is een levenlang terug. Ik deed mee, ik was er maar voelde me op geen enkele manier één van hen. De excentrieke uitingen, de vrije knuffels en obscene gebaren, de choquerende gedragingen. Hoe saai was ik. Zelfs hier hoorde ik niet thuis. Ik heb het een keer of drie geprobeerd, zo’n dag om alles door een roze bril te zien maar ben ergens afgehaakt. Maar nooit, nooit heb ik gedacht dat het aan hen lag. Aan de schreeuwerige homo’s die hossend van verdriet door de straten trekken en op het plein gezamenlijk meezingen met steeds weer een andere homomoeder. Ik voelde schaamte over mezelf. Om er niet bij te kunnen horen. Ik was saai.

Monoloog in woede

Gadsby vertelt in haar show dat ze met comedy gaat stoppen, omdat ze haar pijn niet langer wil weglachen. En ze spreekt de zaal toe die stilvalt soms. Ze spreekt de witte mannen toe omdat ze wit zijn en macht hebben. Ze spreekt de grote mannen in de Kunst toe omdat ze zich vrouwen toe-eigenen als toys voor boys. Ze spreekt ‘my people’ toe om hun zogenaamde feedback op haar show.

Nog nooit heb ik iemand gezien die het aandurft om in een humoristisch bedoelde show een stilte te laten vallen waarbij je bijna de tranen hoort vallen. Waarbij je bijna de mannen, mensen daar hoort denken: ‘come on, light up’. Het simpelste antwoord als je weet dat iemand gelijk heeft maar je jezelf niet zo’n lul wilt voelen.

Ik ga opnieuw kijken om te leren.

 

 

Hoe vaak zeggen we gedag?

Gisteren was het de laatste dag voor de ‘wijkers’. De mensen van de wijkredactie op de krant. De rubriek verdwijnt en daarmee ook de mensen die er aan werkten. Nooit eerder heb ik mensen met een stillere trom zien vertrekken. Grote kans dat pas na een week of wat, de lege bureaus opvallen aan het einde van de zaal.

Wij, de wijkcollega’s, kijken elkaar aan met toch een blik van spijt. Jammer dat het over is. Apart hoe snel je went aan elkaar, aan nieuwe collega’s, aan mensen die lukraak bij elkaar worden geplaatst en dan toch gewoon een team vormen. Dat vind ik altijd het verrassende aan groepen. Hoe we compleet verschillend een eenheid vormen door wat er niet toe doet, los te laten.

Afscheid

We praten over afscheid, over dat niet willen, over niet los willen laten, om vast te willen houden aan iets wat zekerheid geeft. En ik realiseer me hoe vaak ik al afscheid heb genomen. Soms met een ferme handdruk, vaak met een knuffel, soms met een traan of met woede. Maar ook een enkele keer zonder afscheid te nemen, te vluchten en te rennen.

Dag

Ik heb geleerd dat behoorlijk afscheid nemen belangrijk is. Dat je door oprecht ‘dag’ te zeggen ruimte schept om te begroeten en te ontvangen. Dat is ook het mooie van het woord ‘dag’. Het is een komen en gaan in één woord, ontvangen en geven, omarmen en loslaten. Afscheid nemen is vertrouwen. Vertrouwen op nieuw en op wat er komen gaat. Vertrouwen op jezelf. En zolang we onszelf niet met stille trom verlaten is er eigenlijk niets aan de hand.

Wat fijn dat ‘we’ niet meedoen

Een willekeurig voetbalteam. Kunnen IJslanders zijn of Engelsen, Fransen of Belgen. Een ding weet ik zeker, niemand hier draagt een oranje shirt en weet je wat: ik vind het heerlijk dat we niet meedoen.

We kijken best veel wedstrijden, Vriendin en ik. Vaak zijn we voor hetzelfde team. Altijd de onderliggende, het kleinste, het liefste, het bedrogen land. De echte grote jongens zijn al uitgeschakeld behalve Brazilië met steracteur Neymar. Beroer hem met een vingertop en hij rolt vijf minuten lang met gegil en geschreeuw over de groene weide. Maar de Belgen krijgen hem wel klein.

Normale hartslag

We kijken met een normale hartslag en optimistisch humeur want we hebben immers niets te verliezen. De oranjehemden liggen ergens te zonnebaden en kunnen inmiddels weer lachen om hun voetbaldebacle. Ik ook. We hebben nog één man in de strijd, onze oranje scheids, die nog geen wedstrijd verloren heeft. En ik geniet van de leuke wedstrijden.

Japan

Japan verloor gisteren van België en waren het de Belgen niet geweest dan had ik ze een overwinning gegund. Geen arrogante kwastjes, geen huilende spierbundels, geen getoupeerde ego’s maar gewoon leuke gasten die echt voetballen. Niet gaan liggen om het minste geringste of met een handje wapperen als zij denken dat er een gele kaart moet worden uitgedeeld. Zelfs hun tranen na afloop, werden verborgen onder de uitgedeelde handdoeken. Zo doe je dat: verliezen.

‘Voor mij geen slingers aan de wand’

Nog een voordeel. Het is rustig op straat. Geen toeterende auto’s, dronkenlappen om een sneue overwinning te vieren, geen oranjeslingers die doelloos wapperen op een leeggelopen plein. Geen kapotgeslagen stoelen, in elkaar geslagen horecamensen, malloten in de vijver en geen Oranje hit van Wolter Kroes.

Doe mij nog maar eens een keer zo een WK.

 

Ik rook niet meer

Al zeker een jaar of zes ben ik een ‘e-smoker’. Ook niet goed en gezond maar een stuk beter dan ‘the real thing’. Toch wist ik me nooit raad met vragen op medische formulieren als ‘rookt u’? Volmondig ‘nee’ kon ik niet zeggen, volmondig ‘ja’ wilde ik niet zeggen. Maar na gisteren weet ik het zeker. Ik rook niet meer.

Herken je dat? Dat je thuis weggaat met een vaag gevoel van iets vergeten. Dat je in je hoofd het rijtje opnoemt van vergeetbare dingen om te concluderen dat je alles bij je hebt. Om dan, op een moment, er achter te komen, dat je wel iets vergeten bent: geld, zonnebril, dropje, batterij.

Gisteren vergat ik mijn batterij, een essentieel onderdeel van mijn e-sigaret. Als een echte verslaafde reageerde ik met ongeloof om daarna de hele wereld de schuld te geven van mijn ongelukkig-zijn. Ik koos voor een makkelijke oplossing omdat bietsen niet echt in mijn aard zit. Ik kocht een pakje sigaretten.

Vreemd en vies

Ik pakte het witte ding tussen de vingers, vroeg mijn buurvrouw een vuurtje en trok er wat onwennig aan het ding. Om eigenlijk maar één ding te vinden: wat is dit smerig. Kloppend hart, misselijk en dat alles met een gevoel van iets doen dat niet mag. Ik heb het ding uitgedrukt.

Ik ken veel mensen die een e-smoker proberen om dan uiteindelijk te falen. Blijkbaar gaat het niet alleen om de nicotine maar is er iets anders in het witte stokje waar we gek van worden. Wie heeft trouwens ooit bedacht om een sigaret wit te maken? De kleur van onschuld en zuiverheid. Slim.

Blijft de vraag wat er in een sigaret zit, behalve nicotine, dat het zo lastig maakt om te stoppen. Want 1) het is vies, 2) het stinkt 3) het is een matennaaier.

Formulier

De volgende keer kruis ik toch iets zekerder het vakje ‘nee’ aan als er gevraagd wordt of ik rook en zo ja, hoeveel dan. Als er ruimte is zal ik er handmatig bij zetten dat ik wel nicotine tot me neem. Aan de andere kant, wie vult er in dat ze wel een pilletje nemen, een blowtje doen, een glaasje drinken, te hard rijden, te veel werken, te ongelukkig zijn?

Maar het meest verrassende was de herkenning van het gevoel van toen. Hoe ik en jij waarschijnlijk, ooit een eerste sigaret opstaken. Dat rare ding te voelen tussen je vingers, een vieze smaak, een hoestbui, stank, rook, onbenul. En dan doorzetten alsof je over een winnaarsmentaliteit beschikt. Om er dan jaren later achter te komen dat er van die winnaarsmentaliteit weinig meer over is.