Waarom is een serie goed?

Poldark. De serie wordt uitgezonden op NPO maar wij verslinden de serie in ongeveer twee weken tijd, elke avond zo’n twee of drie afleveringen. Why? Het heeft alles waar ik (eigenlijk) niet van houd. Het is romantisch en voorspelbaar maar toch…

Gewoon midden op de dag komt Captain Poldark mijn hersenpan binnengewandeld. Of zijn vrouw of de dikke keukenmeid. Dat is toch niet normaal? Gisteravond probeerden we, met meer Poldark-addicts, ons gedrag te analyseren. Zelfs H. een echte man, durft hardop te zeggen dat het een goede serie is en Ross Poldark (Aidan Turner) een knappe man. Het moet niet gekker worden.

Zwanger, niet zwanger, dood en ellende

Ze houden van elkaar, ze houden niet van elkaar, ze krijgen elkaar niet of toch weer net wel, ze is zwanger maar van wie: kortom alle ingrediënten zijn aanwezig om mij normaal snel te doen afhaken. Als er zich een issue aandient ben ik de eerste om te voorspellen wat er gaande is en het klopt ook nog. Elke keer. En ik blijf kijken en meeleven en meevoelen.

Word ik week op mijn oude dag? Wellicht. Maar er is meer. De serie speelt zich af in de achttiende eeuw in het prachtige Cornwall. De beelden zijn indrukwekkend, zo indrukwekkend dat je denkt: daar wil ik ook naar toe, al of niet te paard. Er zit humor in en ondanks de tijdsgeest is de serie behoorlijk gelaagd. Zo zijn er serieuze gesprekken over relaties is het algemeen of over het ‘houden van’ meer dan van 1 man of vrouw zonder dat daarbij direct een ophanging op volgt. Die ophangingen zijn er toch wel trouwens, dus niet getreurd.

Etterige mannetjes

En natuurlijk zijn er de anti-helden, de ettertjes die vroeger geplaagd zijn en groter willen worden dan hun eigen schaduw. De minzame lachjes, de smerige streken, de gelijkenissen met ettertjes van hier en nu, ik noem geen namen. 

En het is een serie waarin de liefde ook gewoon mag zijn en mag blijven (laat het waar zijn, ik moet nog vier afleveringen maar ik waag het erop). Ik ben toe aan iets dat gewoon mag blijven, aan een duidelijk goed of slecht, aan lief en aardig. Aan ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’ en dat het dan geen sprookje blijkt te zijn.

Van galbakkie tot inspirator

In een uitzending van Pauw vorige week waren Ali B en Van Persie te gast. Ali B schreef met organisatiedeskundige Karin Manuel een managementboek. Ali B? Een managementboek? 

Van Persie en Ali B blijken vrienden te zijn. Al heel lang. Van Ali B weet in inmiddels dat hij veel meer is dan de knuffelmarokkaan, maar van Van Persi herinner ik me vooral de arrogante houding van een over het paard getilde voetballer. En natuurlijk heb ik als Feyenoordfan een andere Van Persie over het veld zien stralen maar een pratende, denkende Van Persie kende ik niet goed. 

‘Ik kan dingen zeggen waarmee ik wegkom’

Pauw vraagt Ali B wat hem een manager/inspirator maakt, hoe dat komt. Ali B vertelt dat hij in een programma als The Voice, tegen talenten dingen kan zeggen die niet leuk zijn om te horen maar die van hem geaccepteerd worden. Een eigenschap die hij altijd al bleek te hebben, als kleine jongen al. 

Elke keer als ik Ali B hoor praten en dingen hoor zeggen die iets doen neem ik in gedachte mijn petje voor hem af. Een rappende wijsgeer. Ook in The Voice ben ik altijd onder de indruk van zijn empathische benadering van talenten, hoe hij de juiste snaar raakt door ook soms niet aardig te zijn maar wel opbouwend. Ali B coach? Daar moest iedereen aan wennen maar nu allang niet meer. Je hoeft niet zelf te kunnen zingen om mensen te leren zingen. 

Is dit het nou?

Ali B vertelt dat hij op een gegeven moment alles had wat hij voor zichzelf gewenst had. Een carrière, geld, een prachtig huis, alles. Maar dat hij toen al snel dacht: maakt mij dit nu gelukkig, is dit het nou? 

Ik kan hier het hele gesprek overtikken maar je kan ook zelf kijken. Luisterend naar twee galbakkies die volwassen werden op een leuke manier. Ik word er blij van, het geeft hoop. En ik weet dat zeker een Ali B door menigeen wordt uitgespuugd, dus ik spuug gewoon blij terug.

Duncan can

Eerlijk? Wij geloofden er niet meer in toen de vakjury zijn punten  gaf. De vrolijke prosecco in het glas leek haar tinteling te verliezen en wij ook. Voor velen van de vakjury was het punten geven hun moment van glory. Ik dacht alleen maar ‘shut up en zeg het’. 

Lange tijd zag het ernaar uit dat John Lundvik, de goedlachse, goodlooking (snygg) Zweed het festival zou winnen en waarom ook niet. Een lekker lied, goed gezongen. Maar hoe hij zingend elke keer in de Greenroom vragen beantwoordde vond ik irritant. ‘Kijk mij eens nuchter en blij met deze idiotie omgaan.’ Zijn gezicht sprak boekdelen toen de laatste, doorslaggevende punten gegeven werden. 

En is het allemaal zo belangrijk? Nee natuurlijk niet maar het is wel heel leuk. Ik houd van het songfestival, altijd gedaan.
Als ‘wij’ moeten zingen, ben ik nerveus. Als ‘wij’ klaar zijn, zucht ik ook opgelucht. We hebben het goed gedaan, Duncie en ik. Maar die puntentelling is slopend. Het politieke stemmen, het maatjesnaaien, het burengekonkel. En dan toch winnen… dat is dan best knap.

Jan Smit trek ik niet.

En natuurlijk moeten we naar Amsterdam. Als ras Haagse ben ik gek op mijn stad maar dit moet toch gewoon in de gayste stad van het land gevierd worden of juist in Giethoorn bijvoorbeeld. Lijkt me ook leuk.

Waarom zo gay?

Gerard Joling vroeg het zich hardop af. Hij vond het jammer dat het zo enorm gay was geworden. Ik viel bijna van mijn stoel. Misschien zijn de gay-mannen de enige mannen die echt een feestje kunnen vieren zonder de hele boel kort en klein te slaan. 

Maar Jan Smit trek ik niet.

 

 

 

Flaneren in Rijswijk

Omdat hondje Ami meer moet lopen, lopen wij met haar mee, we zijn de lulligste niet. In Rijswijk is het goed lopen. De groenste gemeente wordt er gezegd en tot dusver klopt dat aardig. En ‘s avonds, zo rond de klok van acht, lijkt het bijna of we ons in het buitenland bevinden.

Het is geen boulevard natuurlijk maar een van de vele bospaden. Maar ken je dat als je in een of ander exotisch, warm land bent en ‘s avonds hele families flaneren langs de boulevard om te zien en gezien te worden? 

Er wonen veel Oost-Europese gezinnen hier blijkbaar. De avond blijkt een perfect moment om samen te zijn. Ouders lopen hand in hand achter de buggy’s, vaders met een dochtertje aan de hand, moeders pratend met vriendinnen. Een mooi plaatje. En iedereen groet.

Herkennen

Omdat wij nu regelmatig buiten gespot kunnen worden komen we dezelfde mensen tegen die ook hun rondje maken. We gaan ze herkennen. De twee vrouwen waarvan er eentje veel te zwaar is en de ander liefdevol heeft gezegd ‘ik loop wel met je mee’. Veel hondjes, veel mensen. De vrouw die ons arrogant een glim van een lach vertoont als wij haar hardop begroeten. Haar hondje is net zo arrogant. 

Vertrouwen is een mooi ding

Die ochtend heb ik trouwens ook gewandeld. In de straat waar ik woon lopen twee Oost-europese mannen. Een beetje verloederd zien ze eruit, rode konen van de drank? Een van de mannen roept ‘Oh, een Chinese hond, ja toch, mevrouw?’. Ik schud mijn hoofd. ‘Japans’, zeg ik trots. De man gaat op zijn knieën en ik weet niet of ik het moet vertrouwen.
‘Mevrouw, die honden zijn toch heel duur’?
Ik knik bevestigend.
‘Bijt deze?”
‘Nee’, zeg ik verontwaardigd.

In mijn hoofd ploppen beelden op van hondjes die op klaarlichte dag gestolen worden. De riem afgeknipt, het hondje uit de armen van het baasje geplukt en in een klaarstaande auto gepropt. Stommerd. 
‘Ja, ze bijt, hard’ en ‘nee, ze zijn helemaal niet duur, je krijgt ze gratis bij Japanse zoutjes’. Dat had ik moeten zeggen.

De mannen lopen verder en ik hoor de een tegen de ander zeggen: ‘zo’n hond wil ik ook later’.
En ik schaam me. 

Zo moeder zo dochter

Ik weet niet meer hoe oud ik was, twaalf, dertien jaar misschien. We zaten in de wachtkamer van een ziekenhuis, de reden van het bezoek is me niet meer helder. Maar ik kijk naar mijn moeder, naar haar handen en het ergert me.

Mijn moeder was zo’n ouderwetse huisvrouw die bijna dagelijks bezig was met het huis. Maar in de schaarse momenten van ‘niets’ zat ze op de kleine moederfauteuil en ik kan haar bijna uittekenen.
Nooit echt ontspannen zit ze schuin, bijna op het puntje van de stoel met haar handen ineen gevouwen. Haar duimen wrijven beurtelings langs elkaar, een beweging die als een mantra eindeloos wordt herhaald.

Wachten

In het ziekenhuis kijk ik naar haar handen en het zien van de ‘mantra’ ergert me zo dat ik het liefst haar handen los wil trekken. De rusteloosheid, de nervositeit, ik kan het bijna niet aanzien. 

Bus 23

Deze week maak ik een ritje in bus 23. Een lange rit, van Rijswijk naar Scheveningen. Ik houd er van, het niets doen, het schommelen op een bank in een bijna lege bus. Me laten rijden en soms wegdommelen in de warmte van de prille zon die ik door het raam heen kan voelen. Ik voel hoe ik mijn handen in elkaar gevouwen heb en hoe mijn duimen langs elkaar heen wrijven. En zelfs nu ik deze blog schrijf en even pauzeer om terug te lezen wat ik nu eigenlijk geschreven heb, heb ik mijn handen ineen en wrijven de duimen geruststellend langs elkaar.

Precies dat moment maakte de herinnering aan mijn moeder in mij wakker. Ik vraag me af waarom ik mijn handen net zo beweeg als zij dat deed. Wat geeft het mij, waarom doe ik dit? Als ik probeer om mijn handen stil te houden kost dat heel veel moeite.
Het geeft me een prettig gevoel, stelt gerust, houvast die ik mezelf kan bieden. Ik heb geen kind die aan het gebaar allerlei vage negatieve bedoelingen toedicht. 

Mijn schuld

De duimen van mijn moeder. Ik zag het als een zenuwtrek. Een bevestiging van haar ongelukkige leven waar ik natuurlijk (weer) de schuld van was. In die kleine beweging zag ik alles wat haar leven moeilijk maakte: de geldzorgen, het huis, de kinderen, haar verdriet, haar angsten, haar alleen zijn. 

Maar wat vertellen mijn duimen dan? Niet van mijn eenzaamheid en ongeluk. Hooguit van een wat nerveuze inslag. Zoals ik als kind herhaaldelijk mijn voet heen en weer bewoog en iedereen gek maakte. Een beweging om innerlijk tot rust te komen. 

Misschien

Als ik toen ouder was geweest, had ik misschien haar handen even kunnen vastpakken. Ze strelen en haar geruststellen. Dat het allemaal wel goed zou komen. Alleen, weet ik nu, liet zij zich niet door haar kinderen geruststellen en zou het helaas ook niet echt helemaal goed komen.

Maar niets weerhoud me nu om in gedachte haar zachte handen vast te houden. Die handen te strelen en haar vertellen hoe graag ik had gewild dat het leven makkelijker was geweest. En dat ik van haar houd.

Voorvoelen als bescherming

Gisteren beloofde ik dit verhaal. Een bijzonder verhaal. Verdrietig en mooi. Een voorspellende droom die ik had jaren geleden. Een droom die alleen nog maar vertaald moest opdat wij zouden begrijpen.

Het is jaren geleden. Een baby wordt geboren. Een prachtige baby. Haar naam was Merel. Een engel. Helblauwe ogen had ze en zo’n zuivere uitstraling dat ik amper naar haar durfde te kijken. Zo mooi en puur.

Rome

Ik ben met haar moeder B. in Rome, ‘ergens voor’. Merels is in Nederland gebleven bij de vader. We zitten op een bankje en kijken naar een vrouw naast ons die met haar baby speelt. Een baby net zo oud als Merel. Het valt ons op dat deze baby sterker is, groter ook en veel meer kan dan Merel. In de ogen van Merel’s moeder is angst te lezen. Mijn maag trekt samen. 

Droom

Merel logeert bij mij, zoals vaker in haar jonge leven. Ik ga haar verschonen en leg haar op de commode. Ik kleed haar uit, pak schone kleertjes en kleed haar weer aan. Als ik buk om iets op te rapen zie ik dat Merel weer naakt is. De kleertjes zijn weg. Ik kleed haar opnieuw aan maar elke keer als ik naar haar kijk, zijn de kleertjes weg en is ze naakt. Ik huil, wanhopig. Ik kan haar maar niet aankleden.

Ik durf de droom niet te delen met B. omdat het onheilspellend voelt en bizar. 

Merel was niet gezond. Haar lijfje was niet sterk, haar armpjes en beentjes leken geen kracht te hebben. Haar glimlach wel. Die was zo krachtig dat de lach alle donkere wolken openbrak. Ook mijn wolk. Merel had een zeldzame spierziekte. Zelfs ademen was te zwaar voor haar. Met buisjes moesten we elke keer het slijm uit haar keeltje zuigen. 

Verdrietig en mooi

Op een avond vertel ik B. mijn droom. Over mijn wanhoop dat ik Merel maar niet aan kan kleden. B. huilt stil. ‘Je kan haar niet aankleden omdat ze niet aangekleed kan worden voor onze wereld’. De woorden vallen als een bom, voor B. en voor mij. Is dat het? Is dit de waarheid?

Merel overlijdt nog voor haar eerste verjaardag. Een engel die te mooi was voor deze wereld. Zo heb ik het altijd gevoeld.
Vaak heb ik terug gedacht aan die droom die ons bijna liefdevol voorbereidde op wat komen zou. En het heeft mij er voorgoed van overtuigd dat we diep van binnen veel meer weten dan we ‘weten’. 

Merel was een cadeautje dat niet uitgepakt hoefde te worden. 

 

Er liep geen hond

Drie mensen werden vermoord. Drie mensen die ergens hun hondje uitlieten. Twee op de Brunssummerheide en de derde in de Scheveningse Bosjes in Den Haag.

Twee verhalen met een zelfde treurige afloop.
Gistermiddag laat ik Ami uit en en wandel naar het Rijswijkse bos. Het is donker, treurig weer, het regent en er loopt geen hond in het park behalve wij dan. Even daarvoor had ik bedacht: wat als die twee moordzaken met elkaar te maken hebben? Dat een of andere gek het gemunt heeft op hondenuitlaters? Ik vind mezelf weer eens belachelijk maar terwijl ik in het stille bos loop kijk ik om me heen. Het voelt onplezierig. Ik trek Ami, die eindelijk wel wil lopen, met me mee. We gaan terug. We gaan het bos uit.

Schaamte

Met iets van schaamte vertel ik het Vriendin als zij thuiskomt. Hoe ik plotseling het bos niet meer durfde in te gaan. Ik zie Vriendin een poging doen om haar lachen in te houden maar uiteindelijk wint haar klaterende lach. ‘Gekkie’, zegt ze liefdevol. Ze legt uit hoe ver de Brunsummerheid en het Scheveningse Bos uit elkaar liggen en ik knik dommig dat het inderdaad dom is van mij.

Ajax kijken en krant lezen

We kijken naar Ajax en ik hoor plotseling Vriendin een kreet slaken. Ze leest het inkomende pushbericht van een krant en laat het mij zien. Een Hagenaar wordt verdacht van de moorden op alle drie de mensen. Ze lacht niet meer, Vriendin, maar kijkt mij verbijsterd aan. ‘Je had gelijk. De verhalen hebben met elkaar te maken. 

Het is geen moment om lachend mijn gelijk te halen. Te treurig voor woorden is het dat er weer een gek in staat is geweest om mensenlevens voor altijd te ontwrichten. Misschien moeten dit soort lui voortaan aan de riem. 

In bed, later, ontdaan van de nederlaag van Ajax, denk ik terug aan dat voorgevoel van mij. Ik herinner me een ander moment in mijn leven, lang geleden, waar ik iets voorvoelde. Anders dan dit, mooier, intenser. Morgen vertel ik dit verhaal.

 

 

‘De ervaring zelf vindt de woorden’

‘De ervaring zelf vindt de woorden…’, deze zin is niet van mij. Ik zou willen van wel omdat met het uitspreken van de zin ook de betekenis gekend wordt.

Ik was gisteren op werkbezoek bij Cassandra van Veen, beeldend kunstenaar, die mij had uitgenodigd om een stuk over haar en haar komende expositie te schrijven. We kennen elkaar van een cursus, lang geleden aan de Schrijversacademie.

In haar atelier hangen ook de aquarellen die binnenkort in Muzee Scheveningen te zien zijn. Ik word altijd verlegen van kunst waar de kunstenaar bij aanwezig is omdat ik denk iets te moeten zeggen, vinden. Gisteren voelde dat anders. Omdat de kunstenaar zelf geen verwachtingen heeft. Tenminste, zo voelde het.

Een teen in het koude water helpt…

De expositie Elke dag in zee is het resultaat van elke dag in zee zwemmen. Elke dag! Weer of geen weer. Het maken van aquarellen en het schrijven van elfjes (compacte dichtvorm, die bestaat uit elf woorden) was niet de aanleiding voor de dagelijkse zwemtocht maar het gevolg. Ik ben van te voren al een beetje jaloers. Ik met mijn ‘regelperdag’ vind het steeds moeilijker om elke dag iets zinnigs of onzinnigs te bedenken. Ik vraag haar hoe ze elke dag in zo’n ervaring komt. Haar antwoord: ‘een teen in het koude water helpt enorm’, zegt genoeg.

Tegelijk realiseer ik met dat het meer is dan die teen. Zoals Cassandra het zelf zegt: ‘Uit verlangen en openheid ontstaat verbinding, of het nu de penseelstreek is of het goede woord’.

Zijn wie je bent

Ik ben geen kunstkenner maar pretendeer wel een mensenkenner te zijn. Veel vragen die ik gisteren aan haar wilde stellen, stelde ik niet omdat ik het antwoord al wist door bij haar te zijn. Buitengewoon gewoon.
Geen opsmuk, geen verwachtingen of pretenties. Eigenlijk, realiseer ik me, maakte ik mee wat zij dagelijks mee maakt. In een moment zijn en je daar open voor stellen.

Twee minuten stilte voor hen

Vier mei 2019. Onderweg naar de verjaardag van zus en zwager vragen we ons af of we de twee minuten stilte zullen meemaken tijdens het drukbezochte feestje.

De hele familie is er en dat zijn in ons geval, tien kinderen van twee tot 10 jaar en zo’n twintig volwassenen. De kinderen zoeken graag hun eigen plekkie in het huis en dat is het liefst niet bij ons, de ‘volwassene’. Af en toe komen ze naar beneden om een greep te doen in het zout en zoet. Tevreden zeg ik tegen schoonzus die naast me zit ‘wat een familie toch’. Zij knikt. ‘Hoor het gekakel’. Wij kunnen er wat van, kinderen én volwassenen, het hele huis is gevuld met gekwebbel in alle mogelijke toonhoogten.

Stil

Plotseling hoor ik in de kamer van alle kanten ‘sssttt, sssttt’. Het kwartje valt. De twee minuten stilte van 20.00 uur is begonnen. Vorkjes blijven half in de lucht hangen, drankjes worden op tafel gelaten. En ik schaam me een beetje omdat ik dit moment voorbij had kunnen laten gaan. Maar we zijn stil en dat is een opvallende gebeurtenis in de familie. Niet alleen voor ons. Een voor een komen de kinderen met iets van verbazing op hun gezicht en een onzekere glimlach de kamer in. Hun ogen gaan heen en weer. Wat zijn die grote mensen ineens idioot stil aan het doen? Je ziet het aan hun blikken. Moeten ze lachen of valt er niets te lachen. De kleinste kruipt bij mij op schoot en de lach in haar blauwe ogen werkt aanstekelijk.

Mag je lachen tijdens de twee minuten stilte. Ik besluit van ‘ja’.

Voor jullie

Hoe heerlijk is het als je niet weet waarom we twee minuten stil zijn. Dat je niet weet van een oorlog, van verdriet, van wanhoop. Van iemand moeten missen. Voor hen zijn we stil. Voor al die kinderen die hopelijk net als wij op kunnen groeien in een wereld die veilig is. Waar liefde vanzelfsprekend is, een papa, een mama, oma’s en opa’s. En ik weet dat papa’s, mama’s, oma’s en opa’s zich zorgen maken over later. Over de wereld waarin we nu leven en die we niet meer begrijpen of kunnen voorspellen. Vanzelfsprekendheid is vervangen door onzekerheid.

Maar zij weten nog nergens van en hoe heerlijk is dat. Laten we vooral lachen.

Ik wil niet, ik wil niet, ik wil niet

Oost-Indischdoof, of Japansdoof. Dat is ze. Vertelde ik laatst al dat Ami er aan moet geloven met stevige wandelingen en minder snoepen. Ze weet het nu, ze trapt er niet meer in.

Gisteren was ik er getuige van hoe Vriendin-Vrouwtje enthousiast de hond probeert te verleiden mee naar buiten te gaan. Haar stem verraadt vooral hoeveel zin zij heeft om te wandelen maar Ami kent de consequenties. Zij. Moet. Mee.

Ami ligt in haar mand. Ze kijkt naar Vrouwtje met een blik van ‘are you talking to me’. Ze probeert zich zelfs weer slapend te houden. Vriendin vraagt het vriendelijk, lachend, dwingend, grappig maar ‘uit’ betekent ‘uit’ en Ami heeft gewoon geen zin. Vriendin zet haar ‘ik-ben-de-baas-stem’ op en warempel, Ami komt overeind. Zet een paar stappen uit de mand, rekt zich uit en terwijl Vriendin haar lovende woorden toezingt loopt Ami naar de balkondeur om demonstratief de andere kant op te kijken.

Blikken zeggen alles

Als je niet kan praten zijn er gelukkig je ogen waarmee je alles kunt vertellen. Ami kent alle blikken. De blik van ‘arme-ik’, de ogen zielig naar beneden gericht, de blik van ‘ik-weet-niet-waar-je-het-over-hebt’ de ogen eigenwijs terug starend. Vriendin is er niet gevoelig voor. Aan haar zucht hoor ik dat het serieus is en Ami weet het ook. Ze staat, eveneens zuchtend op. Vriendin loopt optimistisch naar de gang om de riem te pakken. Ami loopt naar de eettafel en kiest een van de zes stoelen uit om zich onder te verstoppen.

Eind goed al goed

Uiteindelijk lukt het natuurlijk elke keer weer. Met een riem om je nek kan je geen kant op. Als ze na een dik uur terug komen hijgt Ami alsof ze de marathon heeft gelopen. Stond ze voorheen direct bij de kast wachtend op een beloning, zelfs daarvoor is ze nu te moe. Ze drinkt wat en zoekt een lekker ligplekje uit.

Een riem om mijn nek. Ik zou het kunnen vragen aan Vriendin.