CategorieGedichten

Elke zaterdag: gedichtendag

Gisteren schreef ik over een prachtig stukje Den Haag.
Vandaag een andere kijk op deze stad van dichter Remco Campert.


Den Haag 
Overal bevuilde daken 
groen koper van kerken 
brakke lucht uitgebeten huizen 
afgegraasd grasland verwaarloosde zee. 
O en de trieste trage gele trams 
en het kippevel van de verwaaide straten. 
Heel Den Haag was één Panorama Mesdag 
elke dag een verregende koninginnedag. 
Mijn grootvader ongeschoren 
dwaalde als Strindberg door het huis 
gevangen in zijn eigen kamerjas. 
En zo speelziek en verlegen als ik was 
met mijn kleine rubberdolk 
beheerste dolleman 
pleegde ik sluipmoord op een schemerlamp 
of op zolder het oude lila kussen. 
Remco Campert
Uit: Dichter

Alles is poëzie

Morgen gaat mijn derde cursusdag over poëzie. Gedichten, woorden, klank, rijm en ritme. Ik heb zo veel zin in deze les dat ik van enthousiasme niet uit de startblokken kom. En zo’n blog tussendoor, schiet ook niet op natuurlijk.

Als kind zat ik in tram 9, een tram in Den Haag. Op de Fruitweg, op een grote, stenen fabrieksmuur, stond heel groot dus niet te missen: ‘Dag lieve mensen’.

Een simpele boodschap. Dag lieve mensen. Ik moest er toen al om glimlachen en moet dat nog steeds. Alles is poëzie denk ik nu. Ook de lieve woorden van deze onbekende heer of dame. Wie heeft deze woorden op de muur geschreven, wanneer, waarom en met welke bedoeling. En waarom vind ik dit poëzie?

Wakkermakend

Poëzie is voor mij taal die wakker maakt. Geen aaneengeregen woorden die een verhaal vormen maar woorden uit een context gehaald en die hun zeggingskracht behouden, zelfs groter maken. ‘Dag lieve mensen’ zou op mij veel minder indruk maken als het boven een brief staat als aanhef. Daaronder zou dan de tekst staan waarom wij worden aangeschreven als ‘lieve mensen’. Een oproep tot solidariteit, een oproep om iets voor elkaar te krijgen, een aanhef om mij mild te stemmen. Mij kennende zou ik de brief misschien direct wel terzijde leggen omdat ik het niet vertrouw als het niet van iemand afkomstig is die ik heel goed ken en weet dat ik lief kan zijn.

Poëzie is moeilijk

Poëzie wordt vaak moeilijk en onbegrijpelijk gevonden en heel vaak is dat zo. Er zijn gedichten waar ik helemaal niets van begrijp. Ik staar naar woorden en lees zinnen die ik alleen maar hardop kan voorlezen maar geen indruk achterlaten behalve dat ik er geen snars van begrijp. Maar gelukkig zijn dichters net mensen en er zijn best veel van. Er zijn dichters die ik wel begrijp, die iets vertellen wat ik vaag herken, waar ik meer van wil weten. Die mij raken ook als ik niet helemaal weet waarom.

Dag lieve mensen is voor mij een gedicht. Straatpoëzie. Een regel die voor iedereen en van iedereen is. Niet rijmt maar in zijn eenvoud binnenkomt. In welke stemming ik ook in die tram zit, sjagrijnig of moe, verdrietig of verward, ik ga met de regel in gesprek.
‘Dag lieve mensen? Waar dan?’.
‘Dag lieve mensen? Morgen misschien’.
‘Dat lieve mensen, krijg allemaal de schijt’.
‘Dag lieve mensen, ik kan het niet zeggen maar zo voel ik me wel.’

Dat wil ik morgen laten horen. Woorden die binnenkomen.
Zo en nu aan het werk.

Dichten vrouwen anders

 

Deze week was ik het internet aan het afstruinen naar dichters, gedichten in het algemeen. Ik kwam de volgende vraag tegen: dicht een vrouwelijke dichter anders dan de mannelijke dichter?

Zachter en zwak
Daar was ik bang voor. Dat dat er uit zou komen. Maar het is een interessante vraag voor iemand zoals ik. Zijn de onderwerpen anders, de thematiek, de benadering van een vraag?

Toen kwam ik op een pagina over Annie MG Schmidt. Ze heeft ook gedichten voor volwassenen geschreven. Daar was ik niet bekend mee, dus leuk om te lezen. En zij schreef ooit een prachtig gedicht over een vrouw die dichten wil.

Grappig trouwens als ik google op vrouwen en dichten, dan kom ik uit bij het ‘dichten van conflicten’, mensen samen brengen. Ook mooi maar niet wat ik bedoelde.
Maar ik deel wel graag het gedicht van MG Schmidt met jullie. En dan ga ik nu zelf dichten.

Moeder dicht
Mijn bladerloze schaduw mijdt het water

Ziezo hè hè, de eerste regel staat er.
en speurt de witte angst van eeuwen later

Ga weg! Ga spelen met je transformator!
Je ziet toch dat je moeder zit te dichten.
ik wend mij af en doof mijn vale lichten

ik heb tedùm tedùm geweten

Dat vul ik later in. Na ’t middageten.
mijn weemoed maakt de koele vlinders wakker

van mijn getooide zelf. Daar is de bakker!
Zeg maar: een halfje bruin en een heel wit.
o grijze schim die daar zo heilloos zit

ik zie mijn grijze droefheid aan de kim
Da’s tweemaal grijs. Dat kan niet. naakte schim

aan wie ik al mijn zachte treurnis zeg

En nog een rol beschuit! O is ie weg?
als dauw die druppelt van de trage bomen

Als jij nog één keer binnen durft te komen,
dan krijg je geen vanillevla vanavond!
zo druppelt in dit hart te zeer gehavend

Je moeder dicht. ze heeft geen tijd, totaal niet.
Als vader thuiskomst gaat het helemaal niet.
Je moeder zou een Shakespeare kunnen zijn.
Ze is het niet. Dat komt door jouw gedrein.
Daar gaat ie weer. O humtum klaar en koel

in ’t land van late regen en ik voel

mijn schamelheid. Een heer met een kwitantie?
Zeg maar: m’n moeder is met kerstvakantie.
mijn schamelheid.Wat is dat? Hoofdje zeer
M’n schatje toch…. Gevallen met je beer?
Je moeder komt…..na na…… daar is ze al.
Wees nou maar zoet- ’t genie staat weer op stal.
Annie M.G. Schmidt (1911 – 1995)

4 mei

Zo gewoon was het om veilig te zijn|
dat we er geen aandacht voor hadden
veilig was een woord met korte ei
dat we konden schrijven

dat veilig heilig is zouden we weten
in bedreigingen nabij
zo nabij dat de grond
onder ons huis heel even trilde

op sommige muren hangt in letters ‘home’
misschien omdat we vergeten
dat een huis een thuis moet zijn
waar je wel zou willen wonen

is het erg, vroeg ik jou
als jij het bent?
Die veiligheid?

 

Als je gedachten op slot zitten

Ik was gisteren op bezoek bij de Herbergier, een huis waar dementerende mensen wonen. Ik kende een andere Herbergier omdat mijn schoonmoeder daar woonde en net zoals toen was ik nu weer onder de indruk van de liefde en huiselijkheid.

Aan tafel zit ik bij een oudere dame die zorgelijk zucht en voorover hangt. Een iele, fragiele dame. Ze ondersteunt haar hoofd met haar hand en fluistert: ‘Waar hebben ze het over. Ik begrijp het niet meer’. Ze pakt mijn hand stevig vast en kijkt me indringend aan met vragende ogen. Een medewerkster geeft haar kleine slokjes melk en de oude vrouw vraagt haar: ‘Heb ik iets verkeerds gedaan, ik wist het niet’.
‘Je hebt helemaal niets verkeerds gedaan, lieverd’, zegt de medewerkster, ‘je bent in de war omdat je dingen niet meer weet’. De oude dame veert op en vraagt aan haar: ‘Echt, ben je in de war?’

Op de bank zit een vrouw die vrolijk om zich heen kijkt. Ze bladert wat in een tijdschrift. We praten over haar kinderen, haar huis in Den Bosch en ze maakt op mij totaal niet de indruk dat ook zij dingen vergeet. Ze kijkt naar haar hand waar blauwe adertjes goed zichtbaar bovenop liggen.
‘Kijk dan’, zegt ze tegen mij en wijst naar de adertjes. ‘Vorige week, een groepje jongens, begonnen ineens op mijn hand te slaan, zo’, ze doet het voor. ‘Het was maar kort, tien minuten en toen gingen ze weg maar kijk nu toch, ik krijg het niet meer weg’. Ze veegt met haar andere hand over de adertjes, alsof ze ze weg kan wassen.
Ik zeg dat het domme jongens waren, wie doet nu zo iets. Ze lacht.

Barbiepop

 

 

 

 

 

 

Ik zucht mijn zachte Barbiezucht
ijl en iel, die lucht van mij
afgemeten beweegt een schaduw mee
gevangen in het welbehagen
wat zal ik morgen weer eens dragen?
wie zal ik morgen weer eens zijn?

Ik aai mijn zachte Barbiehaar
de blonde lokken lonken
denk jij dat je denken mag
dat je mij oneindig vaak kunt strelen
wie zal mij morgen stelen?
van wie zal ik morgen zijn?

Ik draag mijn mooie Barbiejuk
precies op maat gesneden
grote mannen bekommeren zich om mij
knijpend en knedend gaan zij zich te buiten
nemen mijn binnenste buiten
wil ik morgen nog wel zijn?

Ik omarm mijn dunne Barbielijf
al het vet is mij ontzegd
geen bescherming meer voor handen
alleen mijn borsten zijn nog groot
mijn lijf is verder dood
zal ik morgen nog wel zijn?

Ik slaap mijn diepe Barbieslaap
de dromen zijn zo mooi
laat mij niet ontwaken nu
en wil je toch nog met me spelen
misschien wil je mijn schaduw delen
en laat mij in mijn barbiedroom

(inzending Barbiepop – over de vrouwonvriendelijkheid van bijvoorbeeld een D. Trump)

18 – 1 – 1936 | 19 – 1 – 2010

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik vrees dat je niet heel veel hebt gemist
behalve dat wij je missen

maar van de wereld, mam, er was niet veel aan
beter dat je dit niet wist

zeven jaren nu, dit waren de magere, zal ik maar denken
voor de wereld om ons heen

maar dichtbij huis was het wel goed
er zijn er veel geboren

en dichtbij is het nog warm
net als toen

ik kijk uit het raam waar de wereld bedekt is
onder een snijdende kou

maar daaronder is het warm,
mam

Het is zo stil in mij

sunset-1342101_640

Is het mijn gevoel of werkelijkheid? Het gevoel dat er dit jaar wel heel veel mensen zijn overleden? Mensen die er toe doen en deden. Nu doet ieder mens er toe maar sommige mensen zijn groter bedoeld. Neem artiesten als Bowie, Cohen en Prince. Mensen die iets te geven hadden aan de wereld.

Dicht bij huis zijn er ook mensen overleden. Mensen die ik direct ken en mensen die ik via vrienden ken. Gisteren een bericht van een vriendin. ‘M. is overleden’. Ik ken M een beetje. Een krachtige vrouw. Overleden. Ik ben stil en denk aan haar. Wat een verlies weer van een mooi mens.

En dan de mensen om ons heen die ziek zijn. Of beter zijn en elke dag weer moeten geloven dat ze beter zijn. Een gevecht met jezelf en het vertrouwen in je eigen lijf en vertrouwen op je intuïtie. P. die meldt dat ze borstkanker heeft. Het slaat in als een bom, weer eentje. Want het is een bericht dat we helaas allemaal wel kennen van iemand uit je omgeving.

Gisteren mompelde ik ‘Tjezus, kap nou even. Het is wel genoeg nu. Het is december. De maand van geloof, hoop en liefde’. En ik neem me voor om deze maand heel veel lichtjes te branden. Voor hen. Een lichtje voor elk verdriet van iemand in mijn omgeving. Om dichtbij te zijn. Zonder iets te zeggen. Het is te stil in mij.