Kolo stoba di mama

Zondagmiddag was ik in bibliotheek Escamp in Den Haag. Daar werd die middag een ‘wereldkeuken’ gehouden. Mensen uit de wijk waren gevraagd om een gerecht uit hun eigen land te koken om zo samen een wereldbuffet te vormen.

Mij was gevraagd om korte gesprekjes te voeren over het gerecht en de herinneringen aan andere tijden. Als ik binnenkom staart Vriendin, medeorganisator, mij stilletjes aan. Er wordt aan haar geplukt. Als ik beter kijk zie ik dat haar vinger verbonden wordt en mensen serieus met haar te doen hebben. Vriendin had zich gewaagd aan het snijden van een arretjescake. Twee hechtingen later loopt ze, met de verbonden vinger hooghoudend, rond. Wat fijn dat het niet haar middelvinger was. Hoe leg je dat uit aan al die mensen?

Eten, eten, eten

De organisatie van deze wereldkeuken was er niet op gerust. Ja, veel mensen zouden koken maar de contacten gingen moeizaam. Zou er genoeg zijn en zou iedereen komen die dat toegezegd had? De vrees bleek ongegrond. Vrouwen en mannen komen trots aan met pannen kolo staba, viazi karai, caschupa en moro de habichuela roja. En arretjescake. Er moeten tafels bij om al het eten uit te stallen. Er moeten warmhoudplaten bij om alles warm te houden. Rijke geuren komen mij tegemoet en mijn Weightwatchers-strenght wordt zwakker met de minuut.

Trots

En wat een leuke mensen. En wat een mooie verhalen. Een mijnheer uit Iran wil mij echt spreken. Als dat eindelijk lukt duwt hij mij zijn recept onder de neus. De kleine, oudere man wijst naar zijn vrouw. ‘Mijn vrouw’, zegt hij zo trots als een pauw. En dat ze nog niet zo goed Nederlands spreekt. Het maakt allemaal niet uit. Een oude dame uit Paramaribo, glimlacht verlegen als ze op de foto wordt gezet. Haar ‘pom’ is mama’s pom. Mensen uit Somalië, uit Spanje, Turkije, Kenia, Marokko, Portugal, Griekenland, Canada en natuurlijk, Nederland. Er zijn Turkse mannen met een mooie dans, er wordt getrommeld en er wordt vooral heel veel gegeten, gelachen en gepraat.

Volgend jaar weer

Mensen schieten mij aan. Komt het volgend jaar weer? Dan maken ze iets anders, mag dat? Of beloven dat ze ook iets gaan maken want nu hebben ze alleen meegegeten. En tips. En tops. Goede tips hoor. Dat je bijvoorbeeld weet wat je eet. Als ik later (toch) aan een bordje zit begrijp ik dat goed. Ik neem hapjes van iets?. Misschien combineer ik een Somalisch ontbijt met een Turks nagerecht. Wie zal het zeggen. Mijn maag protesteert lichtjes na de toevoer van zoveel verschillen ingrediënten in één keer. Maar ook dat maakt niet uit. De menselijke ‘ingrediënten’ die ik deze middag mocht ervaren waren zo talrijk en warm dat ik daar lang op kan teren. Eten verbroedert echt.

 

Eén dans, één dans met sproeiende ogen

Zaterdag wordt voortaan mijn gedichtendag. Vandaag een prachtig gedicht dat ik tegenkwam van M. Vasalis.

Oud

Eén dans, één dans met sproeiende ogen,
gloeiende wangen, losse handen.
En dan opzij gaan staan. De bleke glimlach voelen,
die als een nevel op een avondwei
omhoog stijgt. Langzaamaan verkoelen
en merken dat de nevel sneeuw geworden is.
Dan wijze dingen denken, lachen, liegen,
winst maken uit het wezenlijk gemis?
Of plotseling weer het feest inspringen,
op stijve benen en met koude handen
dansen en vallen, overdekt met schande?
Het helpt niet. Houding is het leven niet,
onthouding evenmin. Zwijg en ga heen
en loop alleen zoals een oude wolf
en lik de laatste druppels uit de droge plassen.
Proef goed, het is uw heil en de grimassen
die gij moet trekken zijn vol herinnering
aan vroeger lachen. Met nog één druppel
loodzwaar bestaan, dat toekomst heet:
de laatste terug van onverdund en helend leed.

uit: ‘Vergezichten en gezichten’, 1954.

Een stoere schijterd

Ami houdt van nieuwe dingen. Nieuwe omgeving, nieuwe speeltjes, nieuwe mensen, nieuwe snoepjes, nieuwe katten.

Ik weet niet of het een Shiba eigen is maar de verveling slaat al snel toe in haar toch al niet zo flitsend bestaan. Maar hoe flitsend wil je het hebben als hond van twee dames op leeftijd met een stappenteller.

Stappenteller

Toch was die stappenteller ook voor haar een uitkomst. Want ook zij maakt met ons die stappen. Maal twee dan. Wandelend verkennen we dus eindelijk de buurt waarin we wonen en komen op plekken waar we het bestaan niet van wisten. En dan leeft Ami op. Nieuwe geurtjes en nieuwe plasjes om aan te snuffelen. Een nieuw speeltje doet het ook goed. De roze bal van de buurvrouw valt zo in de smaak dat ze het fluffy ding mee naar bed neemt. De bal is van een betere kwaliteit dan wij doorgaans kopen maar ook deze is na een dag of drie vergaan tot een ontleed lichaam.

Een kat

Bij ons om de hoek woont een kat. De kat lijkt op Ami. Zelfde kleur, iets kleiner maar het zouden zusjes kunnen zijn. Ami vindt de kat spannend en loopt met een alertheid die wij zelden zien de route naar de plek waar de kat zich zou kunnen bevinden. Ze loopt, een diva eigen, met een groot zelfvertrouwen, hijgend bijna van opwinding en staat op elke hoek stil om de boel te inspecteren. Als ze de kat onder de auto of achter het hekje van de tuin ontdekt loopt ze er op af als een overwinnaar. Totdat de kat ontdekt dat ze zelf echt wel van zich af kan blazen en venijnig de grotere viervoeter weg miauwt. Dan verandert Ami in het meisje dat ze werkelijk is. Een beetje bang, een beetje klein dan toch, een beetje minder diva. De staart zakt nog net niet tussen de achterpoten maar achteruitlopend neemt ze afstand van het sissend gevaar. Om dan, op veilige afstand, zich nog een keer parmantig om te draaien.

Dan voelt ze zich weer even koningin, onze stoere schijterd.

De Trump-orkaan komt er aan

Verontrustende woorden van Trump tiijdens zijn toespraak dinsdag bij de Verenigde Naties. Hij dreigt Noord-Korea ‘volledig te vernietigen’.

En terwijl de ene na de andere orkaan landen bedreigen doet hij er een Trumpiaans schepje bovenop. Het weer is het weer. Gisteren hoorde ik hoe een orkaan ontstaat. Hoe na een orkaan het warme zeewater zich mengt met kouder water waardoor de druk even van de ketel is. Maar Trump denkt daar vast anders over.

Witte tornado

Je kan stoere taal bezigen maar ik ben bang dat er geen plan achter zit. En dat er geen wijze mannen en vrouwen rond deze witte tornado zijn om hem te bedwingen. Hoe wil deze gek de geschiedenis ingaan en wie neemt hij met zich mee? En hoe gek is de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un? Wat weten wij over die breedlachende man als hij zijn nieuwe wapens toont. De mensen om hem heen lijken net zulke marionetten als zij van de Amerikaanse versie en buigen voor hun grote leider.

Man, man, man

Een orkaan overkomt je, je weet dat het er aan gaat komen en dat de gevolgen vreselijk zullen zijn. Hoe vreselijk, dat moet dan nog blijken. De Amerikaanse president overkomt ons ook maar het grote verschil is dat deze man gekozen is. Door het volk. Door mensen die iets anders wilde. Nou, dat kunnen ze krijgen. Ze kozen een orkaan met een boos en onverschillig oog. En wie stopt deze man en al die mannen die de ballen hoog houden in de wereld?

De voorspellingen liegen er niet om. En volkomen weerloos en machteloos moeten wij toezien hoe enge mannen spotten met iets waarmee niet te spotten valt. Wie redt ons van deze orkanen?

 

Veerkracht

De mooiste definitie die ik tegenkom als ik ‘veerkracht’ google is deze: het vermogen om na te zijn uitgerekt of ingedrukt, weer de oorspronkelijke vorm of positie in te nemen’.

‘Veerkracht’ is het woord dat in mij opkomt als ik zojuist het interview terug hoor met Simone Kleinsma in De Wereld Draait Door. Maar ook het woord dat ik voel als ik de afscheidsbrief lees van burgemeester van Amsterdam, Eberhard van der Laan. Kleinsma is achterblijver van haar grote liefde, Guus Verstraete, Van der Laan gaat de tijd die hem nog rest, doorbrengen met wie hij achter gaat laten.

Oorspronkelijke vorm

Kleinsma staat dit weekend in het DeLaMar theater voor de première van Was getekend, Annie M.G. Schmidt. Zij zingt daar een lied over het doorgaan zonder partner zoals ook Annie M.G. Schmidt moest na het overlijden van haar man. Hoe doe je dat? Zingen over de pijn van een ander terwijl je eigen pijn zich nog in een stadium van ontluiken bevindt? Ik vermoed dat je pas weet wat veerkracht is als je zelf zo’n tragedie hebt meegemaakt in je leven. En je oorspronkelijke vorm terugvinden, kan dat? Het zal er verdacht veel op lijken en met een vluchtige blik zal het verschil niet te zien zijn. Maar de oorspronkelijke vorm is er niet meer, wordt uitgebreid met kleine inkepingen of uitstulpingen. De inkepingen die we allemaal in onze eigen vorm een plek proberen te geven.

Verlies is meer dan ‘zonder’

Ik weet niet of ik veerkracht heb. Er zijn van die dingen die je pas weet als je ze meemaakt. De vraag stellen maakt wel dat ik me meer bewust ben van de veerkracht van mensen om mij heen. Die iemand verloren zo dicht bij het hart dat er scheurtjes in ontstonden. Ik weet ook niet of het een kracht is die je zelf ontwikkelt of is die kracht er omdat je toevallig zo in elkaar zit. Dat je na verlies weer een glimlach ontdekt, je plotseling een melodie neuriet of een kindje wiegend in slaap sust. Wat maakt dat je doorgaat? Ik kan niets anders bedenken dan dankbaarheid voor wat je is overkomen aan liefde in je leven.

Zonder liefde ben ik in ieder geval weerloos.

Alles is poëzie

Morgen gaat mijn derde cursusdag over poëzie. Gedichten, woorden, klank, rijm en ritme. Ik heb zo veel zin in deze les dat ik van enthousiasme niet uit de startblokken kom. En zo’n blog tussendoor, schiet ook niet op natuurlijk.

Als kind zat ik in tram 9, een tram in Den Haag. Op de Fruitweg, op een grote, stenen fabrieksmuur, stond heel groot dus niet te missen: ‘Dag lieve mensen’.

Een simpele boodschap. Dag lieve mensen. Ik moest er toen al om glimlachen en moet dat nog steeds. Alles is poëzie denk ik nu. Ook de lieve woorden van deze onbekende heer of dame. Wie heeft deze woorden op de muur geschreven, wanneer, waarom en met welke bedoeling. En waarom vind ik dit poëzie?

Wakkermakend

Poëzie is voor mij taal die wakker maakt. Geen aaneengeregen woorden die een verhaal vormen maar woorden uit een context gehaald en die hun zeggingskracht behouden, zelfs groter maken. ‘Dag lieve mensen’ zou op mij veel minder indruk maken als het boven een brief staat als aanhef. Daaronder zou dan de tekst staan waarom wij worden aangeschreven als ‘lieve mensen’. Een oproep tot solidariteit, een oproep om iets voor elkaar te krijgen, een aanhef om mij mild te stemmen. Mij kennende zou ik de brief misschien direct wel terzijde leggen omdat ik het niet vertrouw als het niet van iemand afkomstig is die ik heel goed ken en weet dat ik lief kan zijn.

Poëzie is moeilijk

Poëzie wordt vaak moeilijk en onbegrijpelijk gevonden en heel vaak is dat zo. Er zijn gedichten waar ik helemaal niets van begrijp. Ik staar naar woorden en lees zinnen die ik alleen maar hardop kan voorlezen maar geen indruk achterlaten behalve dat ik er geen snars van begrijp. Maar gelukkig zijn dichters net mensen en er zijn best veel van. Er zijn dichters die ik wel begrijp, die iets vertellen wat ik vaag herken, waar ik meer van wil weten. Die mij raken ook als ik niet helemaal weet waarom.

Dag lieve mensen is voor mij een gedicht. Straatpoëzie. Een regel die voor iedereen en van iedereen is. Niet rijmt maar in zijn eenvoud binnenkomt. In welke stemming ik ook in die tram zit, sjagrijnig of moe, verdrietig of verward, ik ga met de regel in gesprek.
‘Dag lieve mensen? Waar dan?’.
‘Dag lieve mensen? Morgen misschien’.
‘Dat lieve mensen, krijg allemaal de schijt’.
‘Dag lieve mensen, ik kan het niet zeggen maar zo voel ik me wel.’

Dat wil ik morgen laten horen. Woorden die binnenkomen.
Zo en nu aan het werk.

Sad and yet

Soms hoor je iets waar je je even door van slag bent. Zoals gisteren. Iemand vertelt dat Renate Dorrestein, niet lang meer te leven heeft. Ik ken haar niet persoonlijk maar ik ken haar van de vele prachtige boeken die ze heeft geschreven. Wat zonde en natuurlijk weer die klote ziekte.

Er staat een interview met haar in de Volkskrant. De krant die ik niet heb. Als ik thuiskom zegt Vriendin: ‘De Volkskrant lag in de bus’. Op de voorkant de foto van Renate Dorrestein.

Verademing

Ik heb er eerder over geschreven. Mensen die zeggen: waarom overkomt ons dit nu? Deze ziekte, deze klap op mijn kop. De vraag wordt weinig gesteld bij een blije gebeurtenis.  Als je jezelf die vraag stelt, stel hem dan altijd. Ik draai de vraag graag om: ‘waarom ik niet?’. Dat komt toch dichter bij de waarheid dat we niet verdienen iets wel of niet te krijgen. Soms is het gewoon zo. Verdrietig en pijnlijk.

Renate Dorresteins partner zegt: ‘één op de drie mensen krijgt kanker. Waarom wij niet’. Zij beaamt dat. Ja, waarom wij niet? Als een arts zegt haar niet te begrijpen, omdat ze geen operatie wil en ze toch nog ‘zo jong is’, antwoordt zij dat jong of oud zijn, betrekkelijk is, ‘alsof je niet ophoudt onmisbaar te zijn’.

Ik zou het hele interview kunnen overtikken hier maar dat is pas echt onzin. Maar het is zo’n optimistisch geluid over een intens droevige periode. Ze is natuurlijk verdrietig en wanhopig bij vlagen maar er is geen woede of verongelijktheid.

Mooie zinnen

Ze kan in zulke rake zinnen mooie en minder mooie dingen zeggen. Je snapt precies waarom zij die goede schrijver is geworden. Misschien niet omdat ze knap kan schrijven maar omdat ze knap kan leven, knap kan denken. ‘Je weet dat je ooit doodgaat maar als het je wordt aangezegd, sta je er toch versteld van hoezeer je hier niet op gerekend had’.

Dat nieuwe boek, Reddende Engel, moet ik hebben.

Paraplu en schoensmeer: zomaar twee ergernissen

Geen optimistisch plaatje, ik weet het maar ik had ze nog veel somberder kunnen uitkiezen. Dus ‘regen in kleur’ valt nog wel mee toch? Dit is ongeveer het beeld van de laatste twee weken als ik vanuit een droge woonkamer naar buiten kijk.

En ik ben er niet aan toe maar waar kan je dat melden? September was de maand van de late beloften. De maand van de knipoog naar de zomer een uitdagend lachje naar de herfst. ‘Pak me dan als je kan’. September was feest terwijl je dacht dat het voorbij was, nieuw omdat alles weer begon. De maand waarin je alsnog terugkreeg wat je niet meer verwacht had te ontvangen. De gemiste zomerdagen in juli bijvoorbeeld. September maakte alles altijd weer goed.

Malloot

En welke malloot heeft bedacht dat we de maanden gaan husselen? Dat we de herfst gewoon een weekje of zes vervroegen? Zonder overleg. Het licht uitdoen terwijl we nog aan het spelen zijn. Ik ben het er niet mee eens, mijn lichaam hapert, mijn jassen zijn nog veel te dun.

Paraplu

Dan heb je een paraplu of vijf. Altijd wel ergens liggen maar als het erop aankomt, blijken ze spoorloos. En ze zijn heus niet klein. Die handige lichtblauwe stormparaplu bijvoorbeeld. Ik zie hem zo staan met mijn ogen dicht. Maar als ik grijp, grijp ik mis. De enige paraplu die nog werkt is zo’n kleine voor regen tijdens windstil weer. Maar ja. Windstil, kom daar maar eens om in een septemberherfst. Als dan nog het velletje van je duim tussen het vervelende open-mechanisme blijft hangen… dan pas is het echt mis.

Schoensmeer dan maar

Heeft niets met elkaar te maken. Maar wat er gebeurt met schoensmeer wel. Zo’n flesje dat je altijd wordt aangeboden als je nieuwe schoenen koopt en jij dan zegt: ‘nee, niet nodig, ik heb er nog tien liggen’. En dan je dan je zwarte schoenen wil smeren en het spulletje opgedroogd blijkt. Dat het eigenlijk altijd maar 1 keer werkt: de eerste keer dat je het gebruikt. En dat je dan wel nieuwe wil kopen, maar het regent.

Ik pleit dus voor paraplu’s voor 1 dag en schoensmeer voor 1 keer. Dat ze er altijd zijn. Dat een onzichtbaar mannetje ‘s avonds bij iedereen langsgaat om te checken of het er nog is. Paraplu; check. Schoensmeer: check.

Dat zou mijn leven pas echt een boost geven. Maar nu eerst wandelen met het hondje, met mijn vale, zwarte schoenen en met zonder paraplu.

 

 

Bouwer, architect, makelaar: samen krijgen zij alles voor elkaar

Als je een huis vanaf papier koopt, krijg je ineens met hele andere dingen te maken dan wanneer je een huis koopt dat er al staat. Gisteravond was de zogenaamde aftrap voor nieuwe bewoners, in de schouwburg van Rijswijk.

En een voorstelling werd het. Op tafel liggen kaartjes en als je goed kijkt kun je dan zien wie je nieuwe buren gaan worden. Als de ze ontdekt hebt en denkt: ‘Nee, die wil ik niet’, dan mag je niet ruilen. Dat wist ik niet.

We mogen de zaal in. Er hangt een mega groot scherm met de afbeelding van wat het ooit gaat worden. De projectontwikkelaar staat met een hand in zijn zak en legt in drie zinnen uit hoeveel werk ze verzet hebben.

Lekker strak

Dan komt de architect met lekker strak achterover gekamd haar. Met een hand in zijn zak zegt hij dat het mooi gaat worden. Hij kondigt de bouwer aan. De bouwer laat ons een foto zien van een rode baksteen. We raken in vervoering. We roepen bis, bis, bis. Maar er is geen toegift. Hij kondigt de verkoopmakelaar aan die ook met een hand in zijn zak vertelt over het slopende jaar dat achter de rug is. Tenslotte staat er een vrouw op die ons vertelt wat we al weten. We hebben 25 minuten in de zaal gezeten en worden terug gedirigeerd naar de foyer waar de bitterballen wachten. Ik vergeet op slag mijn weightwatchersperikelen en stop er drie tegelijk in mijn mond. Ik wil nu al waar voor mijn geld.

Ontmoeten

We ontmoeten de boven- en benedenburen. Hebben van één mijnheer gehoord, minstens een keer of tien, dat hij zelluf in de verwarming zit en hij zich geen lus meer of minder aan laat smeren als het over vloerverwarming gaat. Hij zit namelijk in de verwarming. Oh, dat wisten we niet, wat interessant. Als ons dan drie keer verteld wordt dat we in de maling zijn genomen omdat de zon echt niet tot in de middag op het uithangende terrasje schijnt hebben we er genoeg van. De man van de garderobe ziet dat we willen ontsnappen en loopt snel met ons mee. Hij geeft ons de jassen en zegt ‘tot ziens’.

Thuis kijken we naar een aflevering van Scandal. En genieten daar veel meer van dan het ‘scandal in de Rijswijkse Schouwburg’. Boeven zijn het.

 

 

Code oranje

Woensdag was een stormachtige dag in Nederland. Code geel, toen code oranje. Ik loop naar de tramhalte en kan mijn paraplu net zo goed opbergen, het heeft geen zin. De wind speelt met mijn nep-veilige bescherming. Bij de tramhalte probeer ik me te verstoppen in het te kleine tramhokje waar de wind vrij spel heeft.

En terwijl ik daar met een onbestemd gevoel wacht op de tram, op binnen, op warm, op bescherming denk ik aan een storm die honderd keer erger is. Mensen die bidden dat het eindelijk stil wordt om hen heen. En ik denk, wat ben ik een bofkont.

Dat ik hier kan zeiken over het weer en me niet fijn voel. Het weer. Het weer doet raar en het maakt me bang. Het geeft mij een angstig gevoel dat het weer, de natuur, mij zo van slag kan brengen. Dat ik voel dat we zo nietig zijn in onze arrogante manier van denken over de wereld en hoe het verder moet.

Hoe het verder moe

Ik weet het niet. Misschien hebben wij de regie wel helemaal niet. Is het één grote farce. De mens. Maar dat gevoel is niets vergeleken met mensen die orkanen doorstaan. Of het nu bij de buren is of verder weg. Als werkelijk alles onder je handen weggeblazen wordt, wat heb je dan nog, wie ben je dan nog?

Man

Ik zie een man die puin aan het ruimen is. Op Sint Maarten. Hij is vrolijk en zegt: ‘wij komen er wel weer bovenop hoor. Eerst dit even opruimen en dan komen we sterker terug dan ooit’. En dan geloof ik het ook weer. De mens, die man, die kracht. Door hem geloof ik weer in ons. Op de terugweg van het werk zie ik heel veel takken liggen. Afgerukt van de bomen. Maar de boom is net als die man. ‘Wij komen er wel weer bovenop’. Echt, ik hoorde het echt.